De wijnstok en de arenden. Ezechiël 17.

In Ezechiël 17 lezen we een fabel. Een fabel laat dieren als mensen handelen. Alleen hier en in Richteren 19, waar een verhaal over bomen wordt verteld, vinden we in de bijbel een fabel. Wat is de betekenis van deze fabel uit Ezechiël 17?  Met de eerste arend wordt de koning van Babel bedoeld. Deze koning had eerst de koning van Juda weggevoerd. Dat wordt in de fabel aangeduid met de cedertakken die worden weggeplukt. Vervolgens had hij een verbond gesloten met Sedekia. Dat wordt bedoeld met het stekje dat geplant wordt en zorgvuldig wordt opgekweekt tot een heuse boom. De ceder staat dus voor de weggevoerde elite en de koning. Het stekje is de telg van het koningshuis, Sedekia, waarmee de koning van Babel een verbond sluit.

Vervolgens betreedt een tweede arend het toneel. De wijnplant maakt zich los uit de aarde en los van de arend die hem heeft geplant en zoekt als het ware onderdak bij de tweede arend. Met de tweede arend wordt de farao van Egypte bedoeld. De koning van Juda heeft de hand uitgestoken naar Egypte, in de hoop dat deze hem zou helpen in een opstand tegen de overheersing van Babel.

Het is eigenlijk het klassieke dilemma van de koningen van Israël en Juda. Israël lag als het ware op een breukvlak in de aardbodem waar altijd twee continentale platen tegen elkaar botsen en voor aardbevingen zorgen. Is het nu zo vreemd dat Sedekia zijn geluk beproefd heeft bij de farao? De profeet Ezechiël is zich bewust van de dubieuze bedoelingen die de koning van Babel met Juda had. Het was de bedoeling om Juda klein en onbetekenend te maken. Maar toch mag volgens de profeet geen reden zijn om een verbond te verbreken. Het verbond was bezegeld met een eed op de naam van God. Dat was reden voor Ezechiël om Sedekia te veroordelen. Zelfs al gaat het om de koning van Babel, die er op uit is om Israël en Juda te onderdrukken.

Maar er is nog een dieper liggende reden. De koning had opportunistisch gehandeld, zijn kansen berekend en zo geprobeerd tot de bovenliggende partij te worden. Maar daarmee doorzag hij zijn tijd niet. Ezechiël is de profeet die een nieuw fase in de geschiedenis met van God en het Joodse volk inleidt. Het zal niet meer worden zoals vroeger. Voor hen ligt een periode van ballingschap en verstrooiing. De vraag is hoe het Joodse volk in die omstandigheden vast kan houden aan het geloof in Gods weg met Israël. Sedekia doorzag zijn tijd niet. Hij ging opportunistisch te werk. Hij schatte zijn kansen in en sloot een verbond met de koning die op dat moment de beste kansen bood. De profeet wijst een andere weg. Opnieuw gebruikt hij de woorden uit de wereld van de bomen en de natuur.

“Dit zegt God, de HEER: Ikzelf zal uit de top van de hoge ceder, tussen de bovenste takken, een teer twijgje wegplukken, en dat zal ik planten op een hoge en verheven berg. Op de hoogste berg van Israël zal ik het planten, het zal takken dragen en vruchten voortbrengen, en een prachtige ceder worden. In die boom, in de schaduw van zijn takken, zullen vogels wonen, alle soorten vogels die er zijn. En alle bomen in het veld zullen beseffen dat ik, de HEER, het ben die een hoge boom velt en een kleine boom doet groeien, die een gezonde boom laat verdorren en een verdorde boom weer laat bloeien. Wat ik, de HEER, gezegd heb, zal ik doen.”

Sedekia had gewed op de sterkste partij en gehoopt door samenzwering en manipulatie aan de macht te kunnen blijven. Het koninkrijk zou weer worden opgericht als een machtige ceder. Ezechiël wijst een andere weg. God doet de grote bomen verdorren, maar het onaanzienlijke kiest hij en doet hij opbloeien.

De tijdgenoten van Jezus leven met dezelfde vragen als de Joden in Ezechiëls dagen. De ogen zijn op Hem gericht: Herstelt u in deze tijd het koninkrijk?  Het is deze beeldspraak die ook Jezus gebruikt. Het koninkrijk van God is als een mosterdzaad. Het kleinste van de zaden groeit uit tot een grote boom. Maar er is ook een ander aspect van deze fabel die Jezus weer opneemt. Net als Ezechiël gebruikt hij het beeld van de wijnstok. De wijnstok van Ezechiël verdort, omdat hij zijn verworteling in de grond verliest en verdort. Zo gaat het ook met de mens. Als hij op zichzelf is aangewezen verdort hij, als hij zich losmaakt uit zijn voedingsbodem en eigen wegen gaat, verliest hij zijn voedingsbodem en verdort hij. Maar als hij geworteld is in zijn schepper, dan kan hij groeien en opbloeien. Jezus vult dit nog verder in. Als hij zijn afscheidswoorden spreekt, spreekt hij de wens uit dat zijn vrienden in hem blijven. Door zijn lijden en dood heen, met hem verbonden te zijn. Met Jezus verbonden zijn, is dus geen kwestie van wedden op het juiste paard. Het gaat tegen onze intuïtie in. Hij is de onaanzienlijke en kleine loot, die toch tot een machtige ceder zal uitgroeien. Wij worden geroepen op onze beurt ons te enten op deze stam. Wat betekent dat? In deze veertigdagentijd weten we ons verbonden met zijn lijden en streven, dat proberen we in ons op te nemen en daar de vruchten van te plukken. En wat zijn die vruchten dan? Dat we gaan leven uit zijn woorden, uit zijn geboden. En het betekent dat zijn liefde in ons gaat stromen. Op die manier zijn we dan ook verbonden met onze naasten. Ik kan me voorstellen dat dat ook weer vragen oproept? Ben ik dan ook op die manier verbonden met Christus? In de veertigdagentijd beseffen we meer dan anders hoe onvolkomen onze verbondenheid met Christus is. Maar we mogen ook door de diensten en door de viering van het Heilig Avondmaal, zijn geschiedenis een beetje tot de onze maken. Op die manier mogen we steeds meer met hem verbonden raken. En op die manier mag ook ons leven groeien in zijn licht. Amen.

Twitter: prosmania
ontwikkeld door Accent Interactive