Wat de toekomst brengen moge. Jaqueline van der Waals.

Want mijn gedachten zijn niet uw gedachten en uw wegen zijn niet mijn wegen, luidt het woord des HEREN. Want zoals de hemelen hoger zijn dan de aarde, zo zijn mijn wegen hoger dan uw wegen en mijn gedachten dan uw gedachten.
Jesaja 55: 9-10

In de gedichten van Jaqueline van der Waals klinkt vaak een verlangen door naar de hemel. Ik realiseerde mij bij het lezen van die gedichten, dat wij dat al snel ouderwets vinden. Theologen hebben zich in de 20e eeuw juist ingespannen om duidelijk te maken dat het christelijk geloof juist niet bedoeld is om mensen naar de hemel te laten verlangen, maar wil aanzetten tot verantwoordelijkheid en tot het realiseren van een betere wereld. Dat verlangen naar de hemel kennen we niet zo meer. Zeker niet in de woorden die — vele oudere gemeenteleden bekend zullen zijn. Het is een gedicht waarin de dichteres als in een droom een weg afloopt. Gaandeweg stijgt haar verbazing over al de pracht die ze ziet en realiseert ze zich dat ze niet in een sprookjes paleis is beland, maar in de hemel. Verwonderd vraagt het kind zich af:  ‘Waar gouden de portalen zijn, Hoe zullen daar de zalen zijn!’ Generaties gelovigen zijn gewaarschuwd voor een dergelijke naïviteit. Het geloof is immers geen sprookje en wil ons niet in slaap sussen met een droom van een betere wereld. Tegelijk maakt ook dat wantrouwen mij onrustig. Wat is er gebeurd, dat een christen die uitziet naar de hemel, haast per definitie als naïef wordt weggezet? Natuurlijk moeten we onze verlangens niet projecteren op een hemelse sfeer, waarin alles is zoals in onze dromen. Maar daaronder ligt de vraag naar het verlangen. Is de wereld ons niet al te vertrouwd geworden? Kennen we nog een verlangen naar datgene wat God wil geven? Dat verlangen, daar laat ik me graag door Jaqueline van der Waals corrigeren:

En haastig, vol verlangen trad
Ik door de gangen voort.
Ik sprak: “Als bij mijn aankomst wijd
Die poorten openstaan,
In welk een groote heerlijkheid
Zal ik dàn binnengaan,
Indien van goud de gangen zijn,
Hoe groot moet mijn verlangen zijn,
De zalen in te gaan!”

Voor Jaqueline van der Waals was dit verlangen niet ingeven door oppervlakkigheid. Zoals wel vaak wordt beweerd, dat vooral mensen die het niet zo getroffen hebben in dit leven hun kaarten zetten op het hiernamaals. De hemel moet compenseren voor wat ons in dit leven niet gegund is. Maar als er iemand in een gespreid bedje was geboren was zij het wel. Ze groeide op in een elitair milieu, waar het geloof geen grote rol speelde. Haar vader promoveerde in de natuurkunde en wordt hoogleraar aan de universiteit in Amsterdam. Het gezin gaat aan de P. C. Hooftstraat wonen. Nou, als je Jort Kelder mag geloven, ben je dan al in de hemel. Als vader dan ook nog de Nobelprijs wint is het plaatje compleet. Aan de buitenkant een ideaal plaatje. Totdat de moeder TBC krijgt en daaraan overlijdt. Een verdriet waar vader niet mee om kan gaan. Hij schrijft gedichten die hij klaagzangen noemt. En de gordijnen blijven vaak hele dagen dicht in het huis aan de PC.

Niet alleen het overlijden van haar moeder, maar ook de gebeurtenissen in de wereld, met name de Eerste Wereldoorlog, maken dat zij steeds worstelt met de vraag: Hoe kun je geloven, als je niets begrijpt van wat er in de wereld gebeurt. Ze ontwikkelt zich op allerlei gebieden. Ze zet zich in voor diaconaal werk in Amsterdam, ze leert Noors, Deens en Italiaans. Ze gaat ook gedichten publiceren. Het lijkt erop dat ze haar leven weer aardig onder controle heeft. Maar dan krijgt ze te te horen dat ze ernstig ziek is. Maagkanker in een vergevorderd stadium. Je kunt je voorstellen dat je dan vragen krijgt. Net vijftig is ze dan. Een moeilijke jeugd. Nooit getrouwd en ze woont nog bij haar vader thuis, als ze hoort dat ze terminaal ziek is. Misschien herkent u de vraag die zij zich stelde: Is dit nu mijn taak? Is dit nu wat God van mij vraagt?

Als we dan de tekst uit Jesaja lezen dan valt ons op dat ook daar die vraag klinkt.  Het Joodse volk is in ballingschap. Is dit wat het betekent om volk van God te zijn? De liefde van God lijkt een juk te zijn en het maakt het leven eerder moeilijker dan dat het je helpt. In de profetie van Jesaja horen we ook het antwoord van God. Hij geeft geen kant en klaar antwoord, maar hij laat Israël ook niet in de kou staan. Mijn gedachten zijn hoger dan uw gedachten. Dat kun je nog op twee manieren uitleggen. Als God dan toch zo verheven is boven onze menselijke zorgen, dan heeft het ook geen zin meer om met je vragen te worstelen. Zoiets deed ook de vader van Jaqueline. Hij was uit het veld geslagen door het overlijden van zijn vrouw, maar anders dan zijn dochter, bracht hij dat niet in verband met zijn geloof. Zijn geloof bleef erg abstract en hij kon het niet in verband brengen met wat hem overkwam. In een brief aan zijn dochter schrijft hij: Was er maar iemand die met ons meeliep en ons de weg wees, zoals eens Jezus deed op de weg naar Emmaüs.

Jaqueline van der Waals heeft die woorden anders opgevat dan haar vader. En dat besef, dat God je nabij is, ook wanneer jij hem niet ervaart, klinkt door in haar bekendste gezang: ‘Wat de toekomst brengen moge.’ Want Jaqueline van der Waals liep ook een onbekende weg. Maar zij wist dat net als bij de twee vrienden op de weg naar Emmaüs, we soms ziende blind zijn. Zij loopt die weg dan ook met gesloten ogen. Dat getuigt van vertrouwen, dat je in je leven vaak niets ziet. Je ziet soms niet wat andere mensen voor je doen, je ziet niet hoe God zich met je bezighoudt. Maar dat betekent niet dat die mensen er niet zijn, of dat God niet met je meeloopt. Ik denk dat die ervaring het lied ook zo indrukwekkend maakt. Het is een ervaring die veel mensen kennen. Ook als jij het niet ziet, hoop je toch op God en vind je de kracht om een weg te gaan die menselijkerwijs te zwaar voor je is.

Het verlangen van Jaqueline van der Waals is daarom niet oppervlakkig. Het kwam op uit een diep doorleefd levensbesef. Dat bracht haar niet alleen tot een verlangen naar een hiernamaals, maar ook tot ascese. En dat is die andere ervaring die ons zo vreemd is geworden. Waar de moderne theologie de mens in het middelpunt heeft geplaatst, grijpt Jaqueline van der Waals terug op het Bijbelse besef dat ons verlangen en onze mogelijkheden niet de norm zijn in het geloof. Wat het verlangen christelijk maakt, is dat we ook dat verlangen moeten leren. Dat is denk ik ook de inzet van het woord uit Jesaja, dat door de dichteres wordt opgenomen in volgende gedicht:

Zijn mijne wegen, Heer, niet Uwe wegen,
En mijn gedachten Uw gedachten niet,
Vernietig dan mijn hoop en houdt mij tegen,
Opdat het kwade niet door mij geschiedt.

Slechts zelden heb ik wat ik vroeg, verkregen,
Maar dwaling vrees ik meerder dan verdriet,
En met een glimlach heb ik stilgezwegen,
Als Gij mijn wenschen onbevredigd liet.

Glimlachend zàl ik zwijgen, met gerust
Vertrouwen op Uw hooger, wijzer oordeel.
Gij weet, of ik bewogen word door lust
Naar lof, door ijdelheid of zucht naar voordeel –
Maar dood dan ook mijn wenschen, want het kwaad
Ligt in het willen meer dan in de daad.

Literatuur:
H. van der Ent en J. Kramer – Vreugdenhil, Jaqueline E. van der Waals. Haar leven en haar werk. (Nijkerk, 1982)

Twitter: prosmania
ontwikkeld door Accent Interactive