Het opstandingslichaam

Ezechiël heeft een visioen. Een gruwelijk en mistroostig visioen. Het dal van verdroogde beenderen. Ik kan me voorstellen dat het de plek is geweest waar jaren geleden een veldslag is geweest en waar duizenden lichamen zijn blijven liggen, waar jaren later alleen de beenderen nog van over zijn.
Het doet ons denken aan de massagraven die in de 20e eeuw zijn overgebleven, nadat de regimes van Stalin, Hitler en de Rode Khmer hun miljoenen slachtoffers hebben geëist. Vooral van die laatste, , de Rode Khmer, zijn die beelden bekend van stellingen vol doodshoofden van de moordpartijen in Cambodja.
Een aanblik die je het vertrouwen in de mens en de toekomst ontneemt.
Maar misschien doet het je ook denken aan de begraafplaats, hier vlak achter de kerk, waar de geliefden al weer zo lang liggen en de leegte in je leven blijft.
De moed zakt Ezechiël in de schoenen en wanneer de Heer dan vraagt: Mensenkind, kunnen deze beenderen herleven? Dan kunnen we ons zijn antwoord voorstellen: Iets in de trant van: Dat moet u mij niet vragen, Heere, U weet het?
Het gaat ons voorstellingsvermogen te boven, dat daar nog eens verandering in zou komen, dat de dood op een of andere manier kon worden overwonnen.

Het visioen van Ezechiël wordt opgeschrikt door de oproep van God om te profeteren. Het doet ons denken aan het scheppingsverhaal. Boven de woeste leegte klinkt een stem. En die stem brengt leven waar voorheen alleen maar dood en verwoesting was. De beenderen hechten zich aaneen, er worden spieren en huid aangebracht. De chaos wordt een halt toegeroepen en moet plaatsmaken voor orde. Maar net als in het scheppingsverhaal wordt de vertelling even stopgezet om stil te staan bij het beslissende. De Geest is er nog niet.  En dan klinkt de machtige roep om de Geest: Kom van de vier windstreken en geef het leven aan deze lichamen. En dan staan de doden op tot een machtig leger. Het beeld wil troost en bemoediging schenken aan een volk in nood. De ontelbare doden van het slagveld, de talloze slachtoffers die oorlog en onmenselijke regimes hebben gemaakt. De miljoenen die naamloos lijden; eens zullen ze opstaan tot een machtig leger. Als we in God geloven mogen we ook geloven dat hij de doden zal opwekken en de slachtoffers recht zal doen.

Met Pasen gaat he ook om opstanding. Er zijn opvallende gelijkenissen en opvallende verschillen met het verhaal van Ezechiël. De belangrijkste overeenkomst is wel dat we wat in Ezechiël in de vorm van een visioen te zien krijgen, in Jezus werkelijkheid wordt. Ik ben de opstanding en het leven zegt Christus voluit. Wanneer we het verhaal van de verrijzenis lezen is wel het belangrijkste verschil dat we de opstanding zelf niet te zien krijgen. Er is alleen een leeg graf. De opstanding van Christus krijgen we niet te zien. Dat is veelzeggend. Het gaat niet om een lichaam dat eens dood was en nu weer leeft. Nee het is niet zoals bij Lazarus, waar ook beschreven wordt hoe hij uit zijn graf komt. Het is niet het herstel van een eerdere toestand waar het om gaat het is op de toekomst gericht. Hij wil verschijnen in een nieuw lichaam. En dat lichaam is een eersteling. Het is de manier waarop hij altijd bij ons wil zijn. Daarin overtreft de opstanding van Jezus de opstanding van Ezechiël.
De opstanding van Jezus wordt de eersteling genoemd. Het is de aanvang van het nieuwe leven waarin velen zullen delen. Het is niet het weer tot leven komen, maar het is de aanvang van iets nieuws.

Als we dan vragen: Maar hoe krijg ik deel aan dat nieuwe leven, dan is het heel verassend dat Paulus op verschillende manieren over het lichaam van Christus schrijft. Maar het meest radicale is wel dat hij de gemeente van Christus in Korinthe voor houdt: Jullie zijn het lichaam van Christus. Maar dan begrijpen we ook waarom het opgestane lichaam van Christus zo weinig aandacht krijgt en slechts in een glimp wordt waargenomen. Dat is niet omdat – zoals een Britse wetenschapper gisteren in dagblad Trouw beweerde – er nooit een opstanding is geweest en de discipelen alleen de lijkwade van Turijn hadden gezien. Een opmerkelijke bewering, maar juist op dit punt treffend. Het evangelie besteedt weinig aandacht aan het opgestane lichaam. De opgestane Heer kan niet gevangen worden in een lichaam. Het gaat om het opstandingslichaam waar wij ook eens deel aan zullen krijgen. Het is bestemd voor de toekomst, dat is het eerste. Maar het tweede is dat de opstanding van de Heer plaats maakt voor een ander lichaam. En dat lichaam is de gemeente, de kerk.  Als we een afdruk willen vinden van het gezicht van Christus, moeten we niet zoeken naar schaarse, historische overblijfselen zoals de lijkwade van Turijn, of de heilige Graal. We zouden juist de gemeente moeten opzoeken, daar maakt Jezus zich bekend.
Nu kan het niet anders dan dat een teleurstelling ons overvalt. De kerk, de gemeente, dat is nu wel het laatste waar ik Christus zou zoeken. En velen  beleven dat ook zo. Ik geloof wel, maar buiten de kerk om. Tegen de Corinthiërs, met al hun verdeeldheid en gebreken zegt Paulus het toch: Welnu, jullie zijn het lichaam van Christus.

Zoek de levenden niet bij de doden, klinkt het op de paasmorgen. Zoek de levende bij zijn gemeente. Het lichaam van Christus dat zijn wij. Ik weet ook wel dat de kerk vaak tegenvalt en dat we het lang niet altijd goed met elkaar kunnen vinden. Maar toch zijn de woorden van Paulus ook vandaag waar. Paulus kijkt naar mensen in de eerste plaats als een collectief, als een lichaam. Als er een lijdt, lijden alle leden mee.  Ik denk dat we daar allemaal wel iets van kunnen ervaren in de kerk. In de afgelopen weken heb ik kort, maar intensief kennis gemaakt met deze gemeente en dan raakt het me hoezeer mensen met elkaar meeleven.
We hebben ook over deze tekst gesproken in het kader van de gemeenteopbouw en het jeugdwerk. Dan is het jammer om te zien dat er velen zijn die er maar los bijhangen, als de beenderen in het dal. Wat zou het mooi zijn als ook in nieuwkoop ui t al die losse beenderen een nieuw lichaam zou verrijzen. Het kan en het is de belofte van Christus: Jullie zijn mijn lichaam.

Ik wil dit laatste punt nog iets concreter maken. We hebben ook veel gesproken over het ambt. En er zijn veel mensen benaderd voor het ambt van diaken, ouderling of kerkrentmeester. Weet u wat mij dan zo opvalt: Als mensen er voor staan en er voor gevraagd worden, hebben ze het vooral over wat het ze kost, aan tijd en inspanning. Maar als mensen eenmaal een tijdje meedraaien en je vraagt ze: waarom doe je het eigenlijk, dan krijg je vaak te horen dat je er zo veel voor terugkrijgt. Dat is het wonder als je tot een lichaam mag behoren, dat je ineens gaat functioneren in een groter geheel, waarvan je voordien haast geen besef had. En dat er dan ineens ook heel veel ledematen blijken te zijn die iets voor jou gaan betekenen.  Dan krijg je er meer voor terug dan je voor mogelijk hield.

Op die manier hoop ik dat we de komende tijd van Pasen mogen beleven.  Dat we meer en meer mogen ontdekken, dat Christus is opgestaan en dat zijn lichaam niet ver van ons is, maar dat we ons er deel van mogen weten. Ik wens u gezegende paasdagen.

Twitter: prosmania
ontwikkeld door Accent Interactive