Hoe niet te (s)preken. Intredepreek over Ezechiel 3:27

De profeet Ezechiël wordt geroepen om te profeteren tot het volk van Israël dat leeft in de ballingschap.  Hij moet uit zijn huis komen en wordt door de heer geroepen naar de vlakte.  Daarmee wordt de vlakte wordt bedoeld tussen de Eufraat en de Tigris in het land Babylon, waar het Joodse volk in ballingschap verkeert. Niet de berg maar de vlakte, is de plek waarin God nu spreekt. Mozes had van de berg gesproken en eens zou Jezus van de berg spreken.  Maar hier is de plek van handeling het laagland tussen de rivieren. Het zijn de lage landen, waar de handel opbloeit en de mensen ruimdenkend zijn. Een tussenfase in de geschiedenis waarin alles anders lijkt te zijn en Gods woorden schaars.

Weldra zal Jeruzalem vallen en is de uitzichtloosheid compleet. Israël neergeveld, Juda verlaten. Maar met de profeet gaat de Heer zijn eigen weg. Hij is die ene die eruit wordt gepikt en door de Geest recht op zijn voeten wordt gezet: Mensenkind sta op! En in hem worden alle mensen aangesproken. Ik als voorganger. U als gemeentelid en jij als randbewoner die misschien niet eens weet of je wel in God gelooft: Er is een ander leven dan dit en jij zult ervan getuigen.

Maar als Ezechiël dan gaat staan en hoort wat God hem te zeggen heeft, is het niet zo dat hij een kant en klare boodschap meekrijgt. De Heer heeft niet zozeer iets te zeggen, maar geeft de profeet een opdracht.  Dat is trouwens heel kenmerkend voor de profetie van Ezechiël. Hij hoeft vaak niets te zeggen, maar moet iets doen. Het is als de boekrol die Ezechiël krijgt aangereikt. Van binnen en van buiten beschreven met geklaag en moeite. En God zegt in zijn verschijning: eet de boekrol en als Ezechiël dat doet dan is deze rol als honing zo zoet. Staan we op die manier open voor wat God te zeggen heeft? Misschien denken we wel: Wat moet ik aan met dat woord van God: het is me zo vreemd en ik stik er nog in als ik het echt tot me neem. Maar als we het aannemen  en tot ons nemen kan het ons tot onze verrassing goed bekomen als honing zo zoet.

Ook in Ezechiël  3 moet de profeet iets doen. Ga terug naar je huis en daar zul je gebonden worden. Een beeld van de profeet waar we niet aan gewend zijn. Hij wordt niet geacht zich onder de mensen te begeven, maar juist in zijn huis te blijven en zich te laten vastbinden. En alsof dat nog niet vreemd genoeg is wordt hem ook nog eens het zwijgen opgelegd.  Je zult niet kunnen spreken en zo zul je mijn profeet zijn. We zouden dat haast eens moeten proberen zelf te doen. Zo binnenshuis, geketend, stom. Verkrampt. Of misschien zeg je wel: Ik herken dat zo ook wel. Dat gevoel gebonden te zijn, verkrampt. En in zo’n situatie toch ook het gevoel geroepen te zijn. Ik wordt geroepen, aangesproken door God, maar als ik mijn eigen ervaring moet verwoorden ben ik er net zo aan toe als Ezechiël. Ik zit vast, ik zit in de kramp en ik weet niet wat ik moet zeggen.

Geroepen om te zwijgen. Maar hoe doe je dat? Hoe kun je profetisch zwijgen?
Ten eerste is er iets wat hij niet meer zal doen: Hij zal niet meer als een bestraffer optreden. Dat is vreemd. Je zou denken, juist nu het zo duidelijk is dat zijn geloofsgenoten weerspannig zijn, komt het erop aan te bestraffen. Maar dat zal nu juist niet meer gebeuren. Zoals het er in een voortslepend conflict tussen ouders en een kind een moment kan zijn dat de ouders zeggen – met pijn in het hart – ga dan je eigen gang maar. Dan moet je zelf maar ondervinden.  Om het iets geestelijker te zeggen, zolang de Heer nog oproept tot bekering, zolang er straffen zijn en berouw, is er nog sprake van een relatie. Maar wat Ezechiël laat zien is dat juist in de afwezigheid van de straf de relatie tussen God en zijn volk het meest duidelijk wordt. Er is geen straf en daarmee ook geen verzoening meer mogelijk.  Het zwijgen van Ezechiël is dus niet vrijblijvend, zo van: kijk nu zelf maar hoe je je leven invult. Nee het zwijgen beëindigt een aanwezigheid van God die de gelovigen voor vanzelfsprekend hadden aangenomen.

Dit betekent niet dat het nu over en uit is tussen God en zijn volk. Het betekent wel dat het contact als het ware opnieuw moet worden gelegd. Er zal een nieuw woord klinken, waarop de profeet zich in zijn zwijgen, zijn gebondenheid, zijn handicap moet voorbereiden. ‘Als ik tot u spreken zal, dan zal ik uw mond openen.’  Het zwijgen van Ezechiël wordt daarmee ook een verwachtingsvol zwijgen.  Het is wachten op de heer die opnieuw wil gaan spreken en opnieuw geloof wil geven.

Eerlijk gezegd herken ik daar veel in. Predikant worden in 2012, in een situatie waarin de aanwezigheid van God voor mensen haast niet meer is voor te stellen. En voor mensen in de kerk is dat vaak al net zo moeilijk als voor mensen buiten de kerk. Ik neem een voorbeeld  aan Ezechiël: Eerst die ervaring maar eens recht doen en zwijgen. Het spreken komt later wel. En vanuit die ervaring van gebondenheid uitzien naar een spreken van God wat werkelijk nieuw is en je bevrijdt van de verkramping en de gebondenheid.  Een verrassend woord.

Als de Messias, Jezus tot zijn volk komt lijkt dat in veel opzichten op wat Ezechiël gedaan heeft. De aard van zijn optreden was beeldend en praktisch. Hij deed tekenen en gebruikte beelden uit het dagelijkse leven.  Maar het meest opvallende is wel dat Jezus zijn volgelingen gebiedt te zwijgen.  Daarmee lijkt hij ook in deze lijn te staan, van Ezechiël. God maakt een nieuw begin en dat wordt niet verstaan in de oude, vertrouwde taal. Hij doet dingen die voor wijzen zijn verborgen, maar aan de kinderen worden geopenbaard. Wanneer de discipelen met hem op de berg zijn verschijnt hij aan hen in zijn koninklijke heerlijkheid. Maar net als Ezechiël mogen zij daar niet van getuigen. Zij worden gezonden naar de kinderen van Israël die met hun hart nog steeds in Babylon zijn. Eerst moeten zij zwijgen. Eerst moeten zij met afdalen. Eerst moet het drie dagen stil zijn en pas dan zullen zij een nieuwe taal spreken die God hen zal geven.

En wij, in de lage landen aan de zee. Wij hier in Nieuwkoop waar het leven goed is, wat wordt van ons nu verwacht om te zwijgen of te spreken? Ik denk dat de opdracht die Ezechiël kreeg en de opdracht die Jezus aan zijn volgelingen gaf ook voor ons bedoeld is. Je zult niet de rol van de bestraffer, de middelaar op je nemen. Je zult zwijgen. Maar dat zwijgen is niet vrijblijvend. Het zal erop aankomen of we de gestalte van Ezechiël zullen aannemen,  die gebonden was, maar rechtop stond,  de gestalte van de discipelen die  niet mochten spreken, hun gezicht sprak natuurlijk boekdelen. Dan zal ons zwijgen een oordelend en een hoopvol zwijgen zijn. We zijn kerk des Heren, niet in het beloofde land, maar in de ballingschap. We leven veertig dagen in inkeer, om de opstanding van de Heer beter te kunnen begrijpen en we zullen weer spreken als de Geest komt om onze mond te openen. Amen.

ontwikkeld door Accent Interactive