Kerk zonder priester. Hebr. 4:14

De Hebreeën brief richt zich aan gelovigen die op het punt staan hun geloof op te geven. Dat komt omdat ze zijn opgegroeid in het Jodendom, maar volgelingen van Jezus zijn geworden. Ik kan me voorstellen dat ze het gevoel hadden ontworteld te zijn. De eeuwenoude traditie van het Jodendom was alles voor ze. En die vastigheid wordt op twee manieren bedreigd. In de eerste plaats omdat de afstand tussen de Joodse Christenen en het Jodendom steeds groter wordt. En in de tweede plaats omdat de Joodse godsdienst op haar grondvesten schudde.  De tempel was verwoest en aan de offerdienst in die tempel was een einde gekomen.

De schrijver van deze Hebreeënbrief wil hen bemoedigen door hen vanuit het Oude Testament op Jezus te wijzen. Als je in Jezus gelooft, betekent dat niet dat je Israël en het Oude Testament achter je laat, maar in het geloof in Jezus komt juist de diepste betekenis van het Oude Testament tot uiting. In deze moeilijke tijden zijn de beloften van het Oude Testament, meer dan ooit in vervulling gegaan.

Ik heb daar in mijn eerdere preken over de Hebreeënbrief ook al op gewezen. Allerlei personen en Bijbelteksten uit het Oude Testament worden naar voren gehaald en de schrijver van deze brief wijst er dan op dat er in het Oude Testament een geheimenis verborgen ligt dat we pas kunnen begrijpen als we zien dat die woorden en beloften met het oog op de komst van de Messias Jezus zijn gesproken.

In de lezing van vandaag gebeurt dat ook. De schrijver spitst het toe op de persoon van de Hogepriester in het Oude Testament. In het Oude Testament was er een hogepriester die bemiddelde tussen God en mens. Wat was daarvan de betekenis? Niet alleen de Israëlieten, maar elk mens heeft te maken met schuld en verzoening. Een van de meest centrale gedachten in de bijbel is de vraag hoe we daar mee omgaan. Want schuld en zonde kunnen heel wat losmaken. Maar al te gauw gaan mensen er toe over elkaar te oordelen, mensen kunnen, zoals in sommige religies overgaan tot allerlei rituelen om schulden uit te bannen. En vanuit de middeleeuwen zie je ook in het christendom de neiging om door boetedoening en bovenmenselijke inspanningen jezelf te rechtvaardigen.

Het bevrijdende van de bijbel is dat daar altijd een begaanbare weg wordt geboden naar verzoening. Je staat er niet alleen voor, je hoeft de zondaar niet als een zondebok op te offeren, en zonde en schuld hoeven er ook niet toe te leiden dat zondaar en aanklager elkaar in de wurggreep houden van verwijt en onderwerping.
In het Oude Testament was er de offerdienst. Mensen konden met hun zonde en schuld naar God toegaan. Je bent niet overgeleverd aan de veroordeling van mensen, mensen mogen anderen ook niet blijvend in de greep houden omdat ze gezondigd hebben. Die pure horizontale verhouding wordt als het ware opengebroken en er wordt omhooggekeken naar God die vergeeft.

In het Oude Testament was dat de offerdienst en vooral de hogepriester. Eens in het jaar op Grote Verzoendag ging de Hogepriester in het allerheiligste deel van de tempel om verzoening te bewerken voor het hele volk. Zo worden mensen, maar wat misschien nog belangrijker is, verhoudingen tussen mensen weer goedgemaakt. De schuld is in laatste instantie niet een zaak van mensen, maar van God. En als hij vergeeft ontstaat er weer ruimte om met jezelf te leven en met elkaar.

Dat is het grote tegoed van het Oude Testament. God is geen afstandelijke God, die mensen veroordeelt, maar een vergevende God die bewogen is met alles wat zich in ons leven voordoet. En dan stoot deze brief meteen door naar de kern: Jezus is de ware Hogepriester. Hij is niet zoals de Hogepriester de aardse  tempel binnengegaan. Maar hij is de hemel doorgegaan en heeft bij God verzoening gedaan voor onze zonden. Nu, dat mag een rijke tekst zijn op deze zondag na Hemelvaart. Jezus is niet alleen gestorven en opgestaan, maar hij is ook weer terug naar de Vader gegaan en daar heeft hij ons verzoend met God. Ditmaal niet voorlopig, zoals door de offerdienst en de jaarlijkse Grote Verzoendag, maar definitief. Hij is bij de vader en daarom mogen we weten dat al onze zonden zijn weggedaan en wij zonder schuld voor God mogen komen te staan. En dat is waar hij ons ook toe oproept. Laat dat niet schieten. Wat er ook in je leven is gebeurd. En laten we dan ook naar onszelf kijken. Hoe moeilijk kan het zijn om te leven met zonde en schuld. En er zijn allerlei manieren om ermee om te gaan. De een zal het proberen te ontkennen, een ander zal zich kwellen met zelfverwijt en weer een ander zal wijzen op een ander die het nog veel bonter heeft gemaakt.  De Hebreeën brief wijst ons een andere weg: “Laten we dus zonder schroom naderen tot de troon van de Genadige, waar we telkens als we hulp nodig hebben barmhartigheid en genade vinden.” Dat is de weg van bevrijding en verzoening die ons wordt gewezen:  Ga niet gebukt onder zelfverwijt, probeer ook niet jezelf te rechtvaardigen ten koste van een ander, maar wend je zonder schroom, vrijmoedig tot God. Hij wil ons vergeven. En van daar uit kunnen we ook elkaar vergeven. Een bevrijdend evangelie.

Nu even terug naar de gemeente aan wie deze brief voor het eerst gericht is en hun vragen. Kunnen we dat wel zo van Jezus zeggen? Kan hij de plaats innemen van de Hogepriester in het Oude Testament? Is het misschien ook niet hoogmoedig van christenen om Jezus als de enige weg tot God te beschouwen? Nu daar gaat het om in het tweede deel van deze lezing. Jezus doet dit niet om zichzelf te verheffen boven mensen, maar hij is juist de minste geworden van alle mensen. En zo is het duidelijk geworden. In zijn opstanding en hemelvaart, dat Jezus niet eigenmachtig is opgetreden, maar dat hij door God is aangewezen om deze verzoening voor ons mogelijk te maken.
Dat we Jezus mogen zien als degene die de verzoening tussen God en mensen mogelijk maakt betekent dus niet dat Jezus zich boven de mensen verheft, maar dat hij eerst nederig is geworden, God heeft gehoorzaamd en zo door God is aangewezen om dat werk voor ons te doen.

Nu is er nog iets dat de hoorders van deze brief heeft dwarsgezeten. Was deze hogepriester niet alleen voor het Joodse volk bedoeld? En moest hij niet ook juist een afstammeling van de stam van Levi zijn, zoals de hogepriester Aaron? En dat is een vraag die wij ons ook kunnen stellen. Wat hebben wij met die instellingen uit het Oude Testament te maken? En soms hoor je dat ook wel zeggen, dat het in de kerk toch maar niet teveel over zonde en verzoening moet gaan. Dat kunnen we gerust achter ons laten. Nu, daar reageert de schrijver op in het laatste stuk.

En dan neemt hij ons mee terug naar het eerste boek van de bijbel. Daarin komt een wat mysterieuze figuur voor. Al voor de instelling van het priesterschap was er een hogepriester. Er staat een verhaal in Genesis, waarin Abraham wordt gezegend door ene Melchizedek. De rechtvaardige koning. Al voor dat het Joodse volk bestond, al voor dat er een tempel was, was er een Hogepriester. Deze Melchizedek zegende Abraham en daarmee alle gelovigen. De Hogepriester en daarmee de verzoening is dus niet zomaar een ritueel of een traditie, waar mensen ook wel zonder kunnen. En juist deze Melchizedek maakt duidelijk dat het Hogepriesterschap ook uitwijst voorbij het Oude Testament. In psalm 110 wordt hij de eeuwige priester genoemd. Nu, zo zegt de Hebreeënbrief. Deze Melchizedek was een vooruitwijzing naar de Hogepriester die eenmaal komen zou. Niet zomaar een mens, ook niet iemand die helemaal gebonden was aan de Joodse traditie, maar een Hogepriester voor alle mensen. En dat is, zou je kunnen zeggen, een vooruitwijzing naar Jezus Christus.

En zo wordt de gemeente toen en nu bemoedigd. De rituelen en wetten van het Oude Testament hoeven we niet meer te volbrengen, het brengen van offers in de tempel mag voorbij zijn. Maar als we geloven in Jezus Christus, mogen we dan toch vaste grond onder de voeten hebben. Hij is bij de Vader en door zijn werk als Hogepriester, mogen we er zeker van zijn dat God ons in genade aanziet.

ontwikkeld door Accent Interactive