Jezus als Hogepriester. Hebr. 8

Op de dag waarop de vernietiging van de Tweede Tempel wordt herdacht, liep Napoleon Bonaparte voorbij een Synagoge en hoorde huilen van binnenuit. “Waarom huilen die Joden” vroeg hij aan een soldaat. “Ze treuren om de vernietiging van hun Tempel” antwoordde de soldaat. ‘Wanneer gebeurde dat” vroeg Napoleon. “Ongeveer 1800 jaar geleden, antwoordde de soldaat”. “Als een volk zolang treurt dan moet die Tempel toch wel een heel bijzonder plaats in hun leven hebben ingenomen en zullen ongetwijfeld ooit nog eens naar hun land terugkeren om deze Tempel te herbouwen” aldus Napoleon.

De verwoesting van de tempel maakte een diepe indruk op de Joden in de eerste eeuw. En ook op de eerste christenen die veelal van oorsprong het Joodse geloof hadden aangehangen. En dan ging het niet eens zozeer om dat gebouw, maar vooral om wat er in die tempel gebeurde. De offerdienst die door de priesters werd verricht en daarmee ging het om het verkeer tussen God en mens.

Aan de ene kant gaat het dus om een brief die in een heel bijzondere situatie is geschreven, waarin zaken speelden die voor ons niet meer zo herkenbaar zijn. Maar aan de andere kant is het heel herkenbaar, omdat ook wij in een turbulente tijd leven waarin heel veel dingen veranderen en we zoeken naar houvast in een tijd waarin alles in beweging lijkt te zijn. Voor die mensen toen, zij verloren de houvast die de Joodse traditie en het leven volgens de wetten van het Joodse geloof boden. Kun  je dat loslaten, of ben je dan voor je gevoel alles kwijt?

Zoals je dat in je eigen leven ook wel kunt ervaren. Ook al heb je al lang en breed een eigen leven opgebouwd , een eigen huis en misschien een gezin. Als dan vader of moeder overlijdt kan je je toch ontheemd voelen, omdat het ouderlijk huis nu leeg achterblijft. Het vertrouwde middelpunt in je leven, de herinneringen aan je jeugd, de plek waar je elkaar als broers en zussen ontmoette op verjaardagen, verliezen ineens hun vanzelfsprekende aanwezigheid en je voelt je gedesoriënteerd. Het gevoel, dat zo treffend onder woorden is gebracht in dit hoofdstuk: “… wat verouderd is en versleten, is de teloorgang nabij.” En het komt er dan op aan dat je na verloop van tijd weer een nieuw vertrouwen opbouwt. Dingen kunnen loslaten, maar ook het wezenlijke behouden, de herinneringen,  misschien bepaalde zaken uit de erfenis, die betekenis voor je hebben en zo vind je dan weer een nieuwe balans in je leven.

Nu, zo’n proces zien we ook gaande in de gemeente die deze brief leest. De herinneringen gaan terug naar het ouderlijk huis. Naar Israël en de geschriften van het Oude Testament. En de schrijver van de brief wil hen als het ware helpen op een goede manier met die erfenis om te gaan. En dan gaat het in de eerste plaats om de offerdienst.  Het verbond met Israël, had zijn middelpunt in de offerdienst. Maar met het wegvallen van de offerdienst kun je je voorstellen dat voor de Joden van die dagen de grond onder hun voeten was weggevallen. En ook vandaag de dag kun je je voorstellen dat er Joden zijn die graag weer een tempel in Jeruzalem zouden willen hebben. Sinds de stichting van de staat Israël in 1948 zou het ook mogelijk moeten zijn om weer een tempel te bouwen, maar tot op heden is dat niet gebeurd. Ik denk dat het verschillende redenen heeft, maar het belangrijkste is dat ook het Jodendom zich sindsdien heeft ontwikkeld. In de tijd van Jezus al werd de synagoge meer en meer het centrum van de Joodse godsdienst beoefening en na de verwoesting van de tempel zien we dat het Jodendom steeds meer een godsdienst wordt die gericht is op het bestuderen en uitleggen van het Oude Testament en de Rabbijnse wijsheid in de Talmoed.

Voor de christenen kwam daar nog iets heel anders bij: de brief aan de Hebreeën zegt: De offerdienst van het Oude Testament, was geen doel op zich, maar was een vooruitwijzing naar de komst van Jezus. Door zijn dood en opstanding heeft hij het offer gebracht dat alle andere offers overbodig maakte. Hij is de Hogepriester, en door nu weer terug te verlangen naar de priesterdienst van het Oude Testament, verliezen we juist het wezenlijke uit het oog.  Nu wordt de gemeente niet zomaar geroepen het oude achter zich te laten, als een failliete boedel. Israël en het Oude Testament worden niet als overbodige ballast achtergelaten, zoals de kerk het later wel vaak heeft beschouwd. De brief laat juist zien dat al in het oude testament dat nieuwe verbond is aangekondigd.
In hun verstand zal ik mijn wetten leggen en in hun hart zal ik ze neerschrijven. Dan zal ik hun God zijn en zij zullen mijn volk zijn. Volksgenoten zullen elkaar niet meer hoeven te onderwijzen, men zal elkaar niet meer hoeven te zeggen: “Ken de Heer!”, want allen zullen mij kennen, van klein tot groot. Ik zal hun wandaden vergeven en aan hun zonden zal ik niet meer denken.” Dat betekent dus ook een enorme geruststelling. Deze belofte is aan het Joodse volk gedaan. En de kerk mag daarin delen, niet andersom. En zo mogen we omgaan met de erfenis. Het wordt niet afgedankt, maar het wezenlijke blijft behouden. Voor Israël en voor de kerk.

We kunnen ons voorstellen dat het geen gemakkelijke stap was, maar de gemeente wordt hier geroepen zich te richten op het wezenlijke van het geloof. Het vertrouwen richt zich op Christus en op wat hij voor ons heeft gedaan. Dat betekent dat we soms ook dingen moeten loslaten om het wezenlijke te behouden. In de geschiedenis van de kerk zien we steeds weer van zulke momenten. In de reformatie bijvoorbeeld. In de Rooms Katholieke kerk werd en wordt de eucharistie gezien als een offerdienst. Het is om die reden dat de geestelijken van de Rooms Katholieke kerk ook priesters zijn. Zij houden de offerdienst gaande, door in elke misviering het offer van Christus te herhalen. In de Heidelbergse Catechismus staat daarom ook nadrukkelijk dat ook de eucharistie tekort doet aan de betekenis van Jezus Christus als de ware hogepriester:  “dat wij volkomen vergeving van al onze zonden hebben door de énige offerande van Jezus Christus, die Hijzelf eenmaal aan het kruis volbracht heeft , en dat wij door den Heiligen Geest Christus worden ingelijfd , die nu naar zijn menselijke natuur niet op de aarde, maar in den hemel is, ter rechterhand Gods … Maar de Mis leert, dat de levenden en de doden niet door het lijden van Christus vergeving der zonden hebben, tenzij dat Christus nog dagelijks voor hen van de priesters geofferd worde, en dat Christus lichamelijk onder de gestalte des broods en wijns is, en daarom ook daarin moet aangebeden worden; en alzo is de Mis in den grond ander niet, dan een verloochening der enige offerande en des lijdens van Jezus Christus.” Op die manier zullen we het nu niet meer zeggen. Maar we kunnen er iets van leren hoe ook in onze protestantse traditie er een enorme strijd was om het wezenlijke van het geloof te behouden.

Oude zekerheden loslaten, dat niet als een verlies zien, maar in het vertrouwen, dat het juist om het wezenlijke gaat. Dat wij alleen van de genade van de Heer Jezus Christus kunnen leven.
Het oude gaat voorbij en is nabij de verdwijning. Ik kom dat bijna elke dag tegen in de gemeente. Oudere mensen die opgegroeid zijn in een samenleving en een kerk, waarin alles nog overeind stond en het geloof een vaste plek had in het dorp, het gezin en het leven van mensen. Dat alles is voorbij aan het gaan en we weten niet wat er voor in de plaats komt. In de komend 15 jaar zal bijvoorbeeld het ledental van de Protestantse Kerk nog eens halveren. Misschien moeten we het einde van die kerk ook nog meemaken. Ik denk dat het dan voor ons net zo is als voor de Joden die hun tempel moesten loslaten en voor de christenen in de tijd van de Reformatie. Juist dan komt het erop aan: Wat is nu de kern van het geloof. Wat nemen we mee uit de erfenis, wat heeft toekomst? En dan mogen we als Christenen geloven dat we een levende God hebben, die met ons meegaat en dat we Jezus Christus mogen kennen. Die geen half werk heeft geleverd, maar die alles voor ons heeft volbracht. Die nu als de ware Hogepriester in de hemel is, waar hij voor ons bidt. Daarmee kunnen we verder. Amen.

ontwikkeld door Accent Interactive