Wie geproefd heeft van de hemelse gave. Hebr. 6:4,5

Is er ook groei in het geloof? Kun je onderscheid maken tussen beginners en gevorderden. In het werk streven we een carrière na, in de sport willen we een hoger niveau behalen, maar in het geloof?  In de gemeente aan wie deze Hebreeën brief gericht is was er vooral teruggang. Degradatie. En de schrijver vergelijkt dat met de groei van een kind. Op grond van je leeftijd zou je al vast voedsel aan moeten kunnen, maar het kind leeft nog steeds van de moedermelk. De verwachte groei blijft uit.

De basis was al eerder gelegd. De basiscatechese die de gemeente heeft gevolgd ging over het leven als christen. Over de bekering en het geloof in God. En wat opvallend is. Ook de leer van de handoplegging. Dat was dus voor die eerste christenen een centraal onderdeel van het geloof. Het opleggen van de handen.  Ik kan me ook voorstellen waarom dat hier genoemd wordt. Als je iemand de handen oplegt, geeft een meer ervaren gelovige, een ambtsdrager of predikant iets door aan een andere gelovige. Dat is zou je kunnen zeggen het kanaal waardoor het geloof wordt gevoed. Wij doen dat eigenlijk maar heel weinig. Maar ook bij het doen van openbare belijdenis of als iemand een ambt krijgt in de gemeente worden de handen opgelegd. Daarmee wordt het geloof en de gave van de Heilige Geest ook doorgegeven. En zo is er groei mogelijk in het geloof. Zo krijgt het geloof ook doorgang in de tijd. Het is niet iets van jezelf, maar je mag het doorgeven.

In de praktijk speelde dit geen rol meer in de gemeente van de Hebreeën. Het geloof werd niet meer doorgegeven, het geloof groeide niet, maar er was sprake van krimp en achteruitgang. Dit kunnen we ook op onszelf betrekken. Als we naar ons christen-zijn kijken, zijn we dan gevorderd, of zijn we op hetzelfde niveau blijven steken? Ik kan me goed herinneren dat ik openbare belijdenis deed en dat er na afloop een gemeentelid kwam feliciteren. Hij zij me: gefeliciteerd. Maar dit is niet alles. Er is nog meer dat God je wil geven. Ik vond dat toen een beetje eigenaardig. Ik had een hele stap gezet en had het gevoel dat dit gemeentelid mijn belijdenis doen tekort deed. Maar later begreep ik wel wat hij bedoelde. Het is niet zo dat je geloof op een constant niveau blijft. En wat dat gemeentelid precies bedoelde was zoiets als de doop met de heilige Geest. In bepaalde kringen kom je dat wel tegen. Een groot verlangen om te groeien in geloof en kennis van God. En later heb ik dat ook wel meegemaakt, dat je door bepaalde ervaringen in je leven je geloof zich kan verdiepen en kan groeien.

Voor de Hebreeën komt het erop aan. Om hen heen zijn er velen die het geloof vaarwel zeggen. Dat roept vragen op. Hoe zeker kan ik zelf zijn, als zelfs mijn naasten, mijn eigen kinderen wellicht zich van het geloof hebben afgekeerd? Is het geloof nu echt, of is het iets van voor bijgaande aard.
De schrijver zegt: Het ware geloof is door de Geest gegeven. En dan schildert hij als het ware met prachtige bewoordingen wat dit ware, volgroeide geloof is:
“Wie ooit door het licht beschenen is,
geproefd heeft van de hemelse gave
en deel gekregen heeft aan de heilige Geest,
wie het weldadig woord van God en
de kracht van de komende wereld ervaren heeft”
Dat is nogal wat. Het geloof is niet alleen maar een paar regels naleven of een aantal dingen voor waar houden. Het is een ervaring van licht. Het proeven van de hemelse gave. Een ervaring van weldaad en kracht. Dat is zou je kunnen zeggen wel een heel volwassen geloof. Het is een ervaring die je hele leven doortrekt. Waar al je zintuigen bij betrokken zijn, een geloof dat zich uitstrekt over verleden en toekomst. Wie zou een dergelijk geloof herkennen bij zichzelf? Welnu zegt de schrijver. Als je dat allemaal hebt mogen kennen en ervaren. Of als je dat dan tenminste als de belofte en het potentieel van het geloof vermoed: dan doe je toch alles om dat te kennen en te behouden. En  als je dat vaarwel zegt, dan bedroef je de heilige Geest.

Op die manier voert de schrijver zijn hoorders tot een keuze. Weg met alle halfhartigheid, niet blijven staan bij een onvolgroeid geloof, maar als je het geloof mag beleven zoals het ten volle is, waarom zou je dat dan willen achterlaten? Nu kan ik me voorstellen dat dit ook vragen oproept. Is dan iedereen die niet meer gelooft, misschien mijn eigen kinderen of familieleden, verloren. Moet je van al die mensen zeggen dat ze Christus opnieuw kruisigen? Ik denk niet dat het zo bedoeld is.

Want is dat de situatie van al die mensen die kerk en geloof verlaten? Hebben zij de volheid van het geloof ervaren en hebben ze dat doelbewust achter zich gelaten?  Een van de eerste studies over kerkverlating in Nederland – uit de jaren 70 – was een scriptie van een student. Het heette; Het lege testament. Jongeren hadden hun ouders hun hele leven met een plechtig gezicht rond zien lopen met een document onder hun armen. Niet voor kinderogen bestemd. Als vader en moeder oud worden gaat het testament open. Toen het zover was maakten de kinderen het testament open. Het document waar hun ouders hun hele leven over gewaakt hadden bleek leeg. Er stond niets van waarde in en het waren alleen de vormen en gebaren die het de schijn van belang hadden gewekt.

De tragiek van de kerkverlating is niet dat deze mensen het volle geloof en de gave van de geest hebben leren kennen en er vervolgend bewust afscheid van hebben genomen. Maar juist dat zij daar nooit aan toe zijn gekomen. Ze hebben het misschien ook bij hun ouders niet gezien. En zij hebben zich de vraag gesteld wat de waarde van dat geloof eigenlijk is. Daarom wil deze tekst ons ook niet oproepen om mensen maar op te geven. Zij roept ons juist op om volwassen te worden in het geloof. En als je dat mag kennen, ja dan zul je de verleiding van het ongeloof kunnen weerstaan. En als op het op die manier heel je leven doortrekt, zullen ook je kinderen, je familieleden en je naasten er iets van merken.

Maar hoe kom je nu tot die groei? We moeten ook oppassen dat we niet in een situatie terecht komen waarin we onszelf allerlei eisen gaan stellen, waar we nooit aan kunnen voldoen. Geloven is geen prestatie. In het tweede deel van de schriftlezing gebruikt Paulus het beeld van het akkerland. Op droog land zal nooit iets groeien. Pas als de regen erop valt is er ook vruchtbaarheid en groei. Zo staat het ook met het geloof. God wil zijn zegen laten regenen over ons leven. En het enige wat wij daar aan kunnen doen is daarvoor open te staan. Hoe gaat dat in zijn werk? Ik denk dat we in eerste instantie mogen denken aan de Heilige Geest. Met Pinksteren hebben we de uitstorting van de Geest mogen vieren. En dan is het denk ik ook goed dat we deze zondagen na Pinksteren ook zoeken naar de tekenen van de geest en hoe hij in ons leven werkt. Dat is wat Calvijn de innerlijke werking van God noemt. Maar Calvijn spreekt ook over de UITERLIJKE HULPMIDDELEN DOOR WELKE GOD ONS TOT DE GEMEENSCHAP MET CHRISTUS NODIGT EN IN HAAR HOUDT. En dan noemt hij de kerk. Zonder de gemeenschap van de kerk zouden we niet staande blijven. En dan noemt hij ook de sacramenten – Doop en avondmaal. Door deze hulpmiddelen, worden we bij Christus gehouden en wordt ons geloof ook gevoed. Daar komt het dus op aan. Niet dat we het zelf voor elkaar krijgen, maar dat we de hulpmiddelen die God ons geeft niet zouden laten liggen, maar er dankbaar gebruik van maken. Zo mag het ook vandaag de zondag zijn van het sacrament. En als we met die blik het vers nog eens lezen, dan is deze tekst eigenlijk helemaal van toepassing op het avondmaal. Wie geproefd heeft van de hemelse gave. Daartoe worden we uitgenodigd: Al onze zintuigen worden ingeschakeld om God te mogen ontmoeten en zijn liefde te mogen ervaren. Amen

ontwikkeld door Accent Interactive