Broederschap en rivaliteit

Prakke bespreekt de opvallende rivaliteit tussen de gebroeders Van het Reve. Maar is rivaliteit tussen broers, niet eigenlijk heel vanzelfsprekend? In het werk van letterkundige René Girard worden rivaliteit en broederschap juist altijd met elkaar in verband gezien. Zijn opvattingen komen kernachtig aan de orde in Waarheid of zwak geloof, een verzameling van tweegesprekken met de Italiaanse filosoof Gianni Vattimo. Ik bespreek beide publicaties in dit artikel.

reve

 

 

 

 

 

In Rivaliteit zonder einde biedt Prakke een dubbelportret van de broers Van het Reve. De kracht van Bernard Prakkes aanpak ligt in zijn betrokken, biografische insteek. Hij beschrijft het communistische milieu waarin de broers opgroeiden en hoe beiden daarmee braken. Karel slaat de weg in van de kritische wetenschappelijke beschouwing die weinig verwacht van de communistische heilsboodschap en ontpopt zich als een begenadigd essayist. Gerard wendt zich tot de Rooms Katholieke kerk en wordt met zijn unieke stijl en onnavolgbare publieke optredens de meest markante Nederlandse schrijver van de 20e eeuw. Beiden ontvingen de P.C. Hooftprijs.

Waarin bestond de rivaliteit tussen de broers? Allereerst is er natuurlijk de typering van de broer van Frits van Egters in Reves beroemdste roman De Avonden. Karel heeft zich nooit herkend in het beeld dat daar van het gezin uit Betondorp werd geschetst. Karel zou later eens opmerken: ‘Mijn broer kan ontzettend goed liegen.’ Prakke wijst ook op de manier waarop Karel en Gerard over hun leraar geschiedenis op het Vossiusgymnasium spreken, de historicus Jacques Presser. In Moeder en zoon heeft Gerard hem neergesabeld als een man zonder smaak of eigen mening. Karel was zijn leven lang erg op Presser gesteld. Karel gaat de weg van de kritische academische beschouwing. Gerard verwijt hem fantasieloosheid en symboolblindheid. Waar Karel gelooft in kritische argumentatie, pareert Gerard een aanval op de katholieke kerk doodleuk met de opmerking: ‘Dat denken van de mensen dat klopt niet. Dat moeten ze niet doen.’

De biografische aanpak van Prakke heeft een keerzijde. Prakke slaagt er niet in het biografische te overstijgen en de rivaliteit tussen de broers verder te analyseren. Hij wijdt twee hoofdstukken aan het ‘onevenwichtige gezin’ waarin de broers opgroeiden, maar slaagt er niet in deze rivaliteit vanuit het werk van de broers te belichten. Enkele biografische gegevens die Prakke noemt zijn een mogelijke rivaliteit om de genegenheid van de moeder. Hij noemt beider distantie ten opzichte van vader Van het Reve en typeert Gerard als een ‘kampioen omheenprater’ die maar niet kan toegeven dat zijn neiging om de spot te drijven met Karel (‘Mijn geleerde broer’) veroorzaakt wordt door zijn eigen lage zelfbeeld. Het is jammer dat Prakke zijn raak gekozen titel niet meer uitwerkt. In het werk van Gerard Reve liggen immers aanknopingspunten genoeg om deze rivaliteit verder uit te diepen.

Een prominent thema in het werk van Reve is de ontoereikendheid van de menselijke liefde en zoals hij het gezwollen formuleert ‘de volstrekte afhankelijkheid van God’s genade’. In het werk van Reve is het liefhebben bovendien een uiterst problematisch gebeuren. In het zogenaamde revisme kan niet rechtstreeks worden bemind. In plaats daarvan wordt de beminde persoon aan een derde geschonken die het eveneens begeert. Er is niet veel fantasie voor nodig om te beseffen dat deze derde persoon daarmee ook de rivaal is. Broederschap volstaat niet, er is meer nodig om mensen in liefde te doen ontbranden. Er is dus tussen broederschap en rivaliteit een inherente samenhang.

Ook zou het de moeite waard zijn geweest om de rivaliteit van de broers in verband te brengen met hun uiteenlopende visie op God. Voor Karel was God niets anders dan een uitvergroting van de menselijke rivaliteit. Voor Gerard was de ontoereikendheid van de menselijke liefde een gegeven dat hem op het spoor zette van een zwakke God, die ‘twijfelt aan zichzelf’.

Daarmee kom ik aan een tweede publicatie met rivaliteit en broederschap als thema. In Waarheid of zwak geloof zijn Gianni Vattimo en René Girard met elkaar in gesprek over de rol van de nabootsende begeerte in menselijke verhoudingen. Girards bekende cultuurtheorie leert dat menselijke beschavingen wortelen in de gewelddadige verzoening die nodig is om de escalerende rivaliteit tussen mensen in te dammen. In het Nieuwe Testament wordt wel gesproken over Kaïns broedermoord als de ‘grondlegging der wereld’. Voor Girard betekent dit gegeven, dat menselijk samenleven gefundeerd is op rivaliteit en het gevaar van een gewelddadige escalatie van deze rivaliteit. Dit biedt een interessante parallel met het thema van Prakke. Juist tussen broers is er sprake van rivaliteit en dreigt de rivaliteit te escaleren in geweld. Immers, zo betoogt Girard, waar rivalen door hetzelfde te begeren voor elkaar een obstakel worden, vormen zij een bedreiging voor elkaars identiteit.

Volgens Girard is de bijbel uniek in het ontsluieren van deze verborgen samenhang, die zich vooral in religies aandient. Door de bijbelse verkondiging van de onschuld van het slachtoffer heeft het christendom een gigantische culturele omslag teweeggebracht. De Italiaanse filosoof Vattimo deelt deze analyse en heeft Girards theorie aangegrepen om het christendom als een niet-gewelddadige, sociale theorie opnieuw ter sprake te brengen. De discussie tussen de twee spitst zich toe op de vraag hoe we nu het hedendaagse verdwijnen van het Christendom in de westerse cultuur en het vigerende waarheidsrelativisme moeten duiden. Vattimo ziet dit als een consequentie van de religiekritiek die het Christendom zelf in gang heeft gezet en in die zin is ook de huidige secularisatie heilzaam. Girard zelf vindt dat Vattimo de verkeerde conclusie trekt uit zijn theorie van begeerte en geweld. De menselijke natuur met zijn neiging tot eindeloze rivaliteit is onveranderd. Hij vreest dat de afbraak van het christendom de terugkeer inleidt van het geweld. Juist in een cultuur waarin de laatste restjes ideologie en religie verwijderd zijn, zijn we allemaal gelijk, zijn we allemaal broeders, maar daarmee ook elkaars rivalen. Girard: ‘Wanneer men zich door middel van het christendom bevrijdt van het sacrale denken, ontstaat er een heilbrengende opening voor de agapè, de liefde, maar ook een opening voor een mogelijk nog erger geweld.’ Op deze manier geven Vattimo en Girard ons twee mogelijke extrapolaties van de secularisatie in haar relatie tot religie en geweld. Ofwel het christendom wordt voltooid in de secularisatie, als de consequentie van haar eigen religiekritiek, ofwel de secularisatie betekent een wending naar een post-christelijk heidendom waarvan de gewelddadige consequenties zich beginnen af te tekenen in hernieuwd etnisch geweld en een liberale markteconomie gebaseerd op een ongebreidelde begeerte.

Girard staat dicht bij Gerard Reve in een gedeeld besef van de ontoereikendheid van menselijke liefde en solidariteit. Vattimo staat uiteindelijk dichter bij Karel van het Reve, in de zin dat zij beiden de noodzaak zien af te reken met de waarheid van het christendom en Gods transcendentie. Gerard Reve, Gianni Vattimo en René Girard hebben ieder op hun eigen wijze en tegen de trend van de secularisatie in, het christendom opnieuw ter sprake gebracht als een verhaal dat op een unieke manier het menselijk verlangen en samenleven richting geeft. Dat zij dit op zo verschillende wijzen doen, maakt bestudering van hun werken alleen maar boeiender.

N.a.v. Bernard Prakke, Rivaliteit zonder einde. Over de gebroeders Karel en Gerard van het Reve. Aspekt 2008

René Girard & Gianni Vattimo. Waarheid of zwak geloof? Dialoog over christendom en relativisme. Pelckmans/Klement 2008.

Dit artikel verscheen eerder in In de waagschaal. (05/2009).

Twitter: prosmania
ontwikkeld door Accent Interactive