Elie Wiesels getuigenis van de Holocaust

Alle rivieren stromen naar de zee is het eerste deel van de memoires van Elie Wiesel. Het tweede deel verscheen onlangs bij Meulenhoff en heeft als titel En toch wordt de zee niet vol.
Samen vormen de titels het bekende vers uit het eerste hoofdstuk van het bijbelboek Prediker. Elie Wiesel is bekend geworden als een vurig pleitbezorger van de herinnering aan de Holocaust. Na de oorlog heeft hij zich als vredesactivist ontplooid en ging de schending van de menselijke waardigheid, waar ook ter wereld, hem ter harte. Daarvoor heeft hij ook de Nobelprijs voor de vrede gekregen.20130217_135237 (3)

De grondervaring ligt in het kamp Buchenwald, waar Wiesel met zijn vader lijdt. Maar juist daar komt hij dichter bij zijn vader dan ooit, die vroeger nooit tijd voor hem had. In Buchenwald moet hij ook machteloos toezien hoe zijn vader sterft. Een herinnering die hem zijn hele leven bij blijft en ook het refrein zijn van deze memoires: “Vannacht zag ik in een droom mijn vader…’’.

Toch zijn de kampervaringen niet de hoofdmoot van het boek. In het eerste deel schrijft hij over zijn jeugd in Sighet (Transsylvanië)en zijn herinneringen aan het chassidische milieu waarin hij opgroeide.   Er zijn de ervaringen na de oorlog, wanneer hij als stateloos burger naar Frankrijk en later naar Amerika reist. Wiesel tekent zichzelf als een rusteloos zoekend mens zonder vaste verblijfplaats zonder vaste identiteit. Maar het is juist als zoekende journalist, dat hij de meest uiteenlopende personen ontmoet: de mysterieuze leraar Shoushani,  zijn ontmoetingen met vele prominente Joodse schrijvers, zoals Abraham Joshua Heschel, zijn ontmoetingen met politici als Golda Meir.

Israël trekt Wiesel voortdurend, maar toch zal hij zich er niet vestigen. Hij bezoekt het land wel in 1949, als journalist. Indringende vragen komen hier op hem af. Onder andere het beschieten door regeringssoldaten van de Altalena, een schip met Holocaust overlevenden. Dat was een gevolg van interne conflicten tussen het regeringsleger en de in Jeruzalem opererende troepen van Irgoun. Niet alleen tussen de verschillende groepen zionisten is er spanning. Er is ook een grote spanning tussen de Zionisten die al in de oorlogsjaren in Israël waren en de Holocaust overlevenden. Wiesel ziet dat de zionisten die tijdens de oorlog al in Palestina waren, de immigranten vaak met de nek aankijken. De strijdbare zionisten kijken neer op de overlevenden van de Holocaust. Wiesel: “De immigranten verpersoonlijken alles wat de jonge Jood in Palestina weigert te zijn: een slachtoffer. Ze symboliseren de slechtste kant van de Joodse geschiedenis, de zwakker gebogen Jood die bescherming nodig heeft.’’

De meest uitdagende gedeeltes van het boek zijn  die waarin Wiesel zijn visie geeft op de verhoudingen tussen verschillende groepen Joden. Ook tijdens de oorlog hadden de Joden veel meer kunnen doen om elkaar het onheil te besparen. Waarom is er niet veel meer gedaan om elkaar te waarschuwen voor de transporten en de kampen? Waarom stuurde Golda Meir geen agenten vanuit Palestina? En wat hadden de Europese Joden voor elkaar kunnen betekenen? De uitroeiing van de Hongaarse en Roemeense Joden, waartoe Wiesel behoorde,  had voor een groot deel voorkomen kunnen worden als degenen die wisten van de kampen meer hadden gedaan om hen te waarschuwen. In mei 1944, op 20 kilometer van de Russisch troepen, moet de deportatie van de Hongaarse Joden nog beginnen.

De mooiste hoofdstukken van de memoires zijn te vinden in het eerste deel. In het tweede deel gaat toch veel aandacht uit naar persoonlijke onenigheden (onder andere met Simon Wiesenthal), die Wiesel gedurende zijn werkzame leven heeft gehad. De lezer voelt zich een ongemakkelijke getuige van een ruzie. Ook in de hoofdstukken waarin hij schrijft over zijn werk voor de commissie die het Holocaust museum in Washington realiseert en het hoofdstuk over de Nobelprijs leveren niet het mooiste proza op.

De blijvende indruk van de biografie van Wiesel is hoe hij zijn leven in dienst heeft gesteld van het getuigenis van de Holocaust. In de jaren na de oorlog was dit lange tijd taboe. En ook nu, schrijft Wiesel, is de herinnering aan de Joden niet meer zeker. De Holocaust heeft een universele strekking, maar was zelf een unieke Joodse tragedie. Wiesel komt daar steeds weer op terug. “Niet alle slachtoffers waren Joden, maar alle Joden waren slachtoffer.’’  En: “De Joden waren de slachtoffers van de slachtoffers.’’  Hij keert zich vurig tegen elke poging om de slachtoffers uiteindelijk nog hun Jood zijn te ontnemen.
In onze tijd wordt het spreken over de Holocaust opnieuw meer en meer ongewenst, doordat het voortdurend wordt afgemeten aan de Israëlische politiek en omdat men gevoeligheden bij andere bevolkingsgroepen wil vermijden. Soms ben ik wel eens bang dat de ontzetting over de Holocaust maar een kortstondige bevlieging zal blijken te zijn. Elie Wiesel maakt ons duidelijk hoe kwetsbaar en ongewenst het getuigenis over de Holocaust altijd is geweest.

N.a.v. Elie Wiesel, Alle rivieren stromen naar de zee. Meulenhoff 2007
…en toch wordt de zee niet vol. Meulenhoff 2008.

Dit artikel is eerder verschenen  in Israël Aktueel (04/ 2009)

Twitter: prosmania
ontwikkeld door Accent Interactive