Zwerfvuil

Ik heb een afvalprikker aangeschaft. Het is mijn tweede eigenlijk al. Ik gebruik hem met enige regelmaat om het vuil dat rond mijn huis ligt op te rapen. Ik doe dat met een mengeling van trots en schaamte. Dat laatste vooral omdat je wel behoorlijk sullig  moet zijn om het vuil dat willekeurige scholieren daar neergooien op te gaan ruimen. Trots omdat het besef zich bij me opdringt dat ik tot een selecte groep mensen behoor die zich niet alleen ergeren aan de rommel op straat, maar ook bereid zijn er wat aan te doen.

Het boekje Andermans rotzooi van mijn favoriete Britse cultuurcriticus Dalrymple is mij dan ook op het lijf geschreven. Hoewel volgens Dalrymple het zwerfafval in Groot Brittannië een veel groter probleem is dan in Nederland, denk ik dat zijn analyse voor een groot deel op de situatie in ons land van toepassing is.

Wat is het probleem met zwerfvuil en welke problemen zijn eraan gerelateerd? Volgens Dalrymple verraadt zwerfvuil ten eerste iets over onze eetgewoonten. Het eten op straat wordt zeker voor jongeren steeds normaler. Het eten in de huiselijke sfeer van het gezin wordt zeldzamer. Dit gaat ten koste van de ervaring van geborgenheid en huiselijkheid en de sociale vaardigheden die je je juist thuis eigen maakt.

De teloorgang van deze impliciete waarden, omgangsvormen en fatsoen, leidt er vreemd genoeg toe dat er een toenemende behoefte is om de grenzen van vrijheid in wetten en regels vast te leggen. Binnen die regels is alles geoorloofd. Zie ook de discussie ronde de vrijheid van meningsuiting. Hoe minder hier het fatsoen de norm is, hoe grover de taal wordt. De grenzen van het toelaatbare moet de rechter maar bepalen.

Maar is er wel een moreel probleem met zwerfvuil. Is het niet gewoon een bijproduct van onze toegenomen welvaart en consumptie? Juist de populariteit van dit soort verklaringen zou ons onrustig moeten maken. Er is sprake van een verwaarlozing van de publieke ruimte. Dat komt doordat mensen bepaalde keuzes maken. Het zwerfvuil te verklaren als een automatisme of een onontkoombare ontwikkeling is zeer cynisch. Het sluit de ogen voor de morele keuzes van mensen. Er zijn rijkere en armere landen waar het zwerfvuil geen probleem is. Volgens Dalrymple is het zwerfvuil de bewuste keuze voor een hedonistisch en gemakzuchtige levensstijl, die het gevolg is van een verzet tegen een meer wellevende en fatsoenlijke burgerlijke cultuur die we achter ons hebben gelaten. De evidente manifestaties van onfatsoen en bandeloosheid die daarmee gepaard gaan worden afgedaan als  ’van alle tijden’. Deze intellectuele luiheid, die geen besef heeft van historische ontwikkelingen, leidt tot een bevolking die ”in een eeuwigdurend nu leeft waarin alles lijkt te blijven zoals het is, ook al verandert alles.”

Om zwerfvuil tot een probleem te verklaren vergt enige moed en het is niet voor niets dat velen hun best doen de daders te vrijwaren van kritiek. Het is immers een teken dat in een vrij en democratisch land de meerderheid zich bewust of onbewust immoreel gedraagt. Een verontrustend feit voor mensen die denken dat vrijheid en democratie de grootste verworvenheden zijn van de moderne samenleving. Dalrymple grijpt terug op een conservatieve traditie die vrijheid niet verabsoluteert: vrijheid zonder moed en wijsheid is waardeloos. Het is dus niet zo dat Dalrymple het zwerfvuil als een probleem van de jeugd of de onderklasse ziet. Het is slechts de keerzijde van het zelfontplooiingsideaal van talloze hoger opgeleiden. De wereld komt slechts in het vizier als het podium van mijn zelfontplooiing. Het individu centraal, zegt Pechtold, en de voorbijrazende bestuurder van de Seat Leon met de radio op volle geluidssterkte denkt er precies zo over.

De grote hoeveelheid afval in de publieke ruimte is een probleem. Omdat het een voorbeeld is van immoreel gedrag, dat we niet meer als zodanig herkennen. Waartegen de overheid, de gemeentes en de schooldirecties de strijd allang hebben opgegeven. Het leidt tot een permissive society, waarin het hoogst haalbare voor mensen is zich er maar niet teveel meer aan te ergeren. Incasseren is de hoogste deugd. Ik kan me desondanks één voorval herinneren van een ingrijpen. Een voorval dat diepe indruk op mij heeft gemaakt tijdens mijn studietijd in Utrecht. In een drukke stadsbus zitten achterin de bus een groep Marokkaanse jongens. Luidruchtig en baldadig. Een van hen gooit een blikje uit het raam. Op straat loopt een marechaussee in uniform. Hij bedenkt zich geen moment. Geeft de chauffeur een stopteken en loopt de lange harmonica bus waar je inmiddels een speld kon horen vallen — helemaal tot achteren door en pikt feilloos de dader eruit. De jongen stapt uit. De marechaussee laat de bus verder rijden en de jongen werpt het blikje — onder toeziend oog van de marechaussee — in de vuilnisbak. Deze ene daad, om een ogenschijnlijk kleine overtreding was meer dan een incident. Het was alsof een lange stilte werd doorbroken, alsof iemand iets deed waar heel veel mensen op hadden gewacht. Een einde aan een cultuur van wegkijken, een herstel van autoriteit en gezag.

Dat speelt mee als ik de berg zwerfvuil wekelijks weer groter zie worden en de prikker maar weer uit de schuur haal. Het gaat om iets meer, het gaat om de vraag of we als burgers nog iets gemeenschappelijks hebben: zorg voor elkaar en de publieke ruimte. Of is onze tolerantie alleen maar uitgestelde ergernis? Dalrymple helpt daarbij en laat ons onbarmhartig de morele chaos achter alledaagse taferelen zien.

N.a.v. Theodore Dalrymple. Andermans rotzooi. (Amsterdam: Nieuw Amsterdam 2012)  € 14,95

Twitter: prosmania
ontwikkeld door Accent Interactive