Koran en bijbel

Kun je de Koran gebruiken in de les en zo ja, hoe dan? Dit artikel bespreekt op een kritische wijze een manier van omgaan met de Koran in het godsdienstonderwijs, waarbij de Koran wordt ingebracht als in grote lijnen overeenstemmend met de Bijbel.


De gedachte is als volgt: de Koran en de Bijbel behandelen deels dezelfde stof. Enkele personages uit de Bijbel keren terug in de Koran. Door juist deze teksten te bestuderen, worden leerlingen zich bewust van wat moslims en christenen delen. Ik noem dit de synoptische methode. Het beste voorbeeld hiervan vinden we in Koran en Bijbel in verhalen. Overeenkomsten tussen de heilige boeken (Ter Borg, 2007). Dit boek maakt deel uit van een project Bijbel en Koran, waar ook de website www.bijbelenkoran.nl aan is gekoppeld. Deze site biedt in één oogopslag een synopsis van corresponderende passages in Bijbel en Koran. Mijn vraag luidt nu: “Is het project Bijbel en Koran bruikbaar om leerlingen in het voortgezet onderwijs kennis te laten maken met de Koran?”

In dit artikel wil ik de benadering van Bijbel en Koran vanuit twee perspectieven kritisch bevragen. Hoe verhoudt Bijbel en Koran zich enerzijds tot de islamitische theologie en anderzijds tot de moderne koranwetenschap? Daarnaast wil ik aan de hand van een kleinschalig empirisch onderzoek laten zien hoe de synoptische leeswijze het begrip van leerlingen ten aanzien van de Koran beïnvloedt. Ik behandel hieronder eerst de relatie tussen Bijbel en Koran en de islamitische theologie respectievelijk de moderne islamwetenschap, vervolgens geef en interpreteer ik de uitkomsten van mijn onderzoek en ten slotte evalueer ik beide perspectieven.

1. De Koran in islamitische theologie en koranwetenschap versus Bijbel en Koran
De islam kent een uitvoerige theologie over de exclusiviteit van de Koran en de relatie van de Koran tot de Bijbel. Volgens de islam is de auteur van de Koran Allah zelf. Er is geen menselijke auteur. De profeet Mohammed heeft rond het jaar 610 openbaringen ontvangen. De schriftelijke vastlegging wordt twintig jaar na de dood van Mohammed voltooid.
In het nieuwere koranonderzoek wordt deze visie onder vuur genomen. Islamologen als Hans Jansen en Christoph Luxenberg stellen niet alleen vragen bij de traditionele visie op het tot stand komen van de Koran. Meer wetenschappers doen dat en richten daarbij vooral hun aandacht op het proces van overlevering na de dood van Mohammed. De zogenaamde revisionisten gaan veel verder en ontkoppelen het ontstaan van de Koran van het ontstaan van de islam. De Koran zou terug kunnen gaan op oudere, christelijke tradities. Zij houden daarbij de openbaring aan Mohammed voor een latere traditie. De revisionisten kritiseren de traditionele visie dus juist met het oog op de passages die aan de Bijbel zijn ontleend. De adressanten moeten – met het oog op de ‘gedeelde teksten’ – voor een deel joden en christenen geweest zijn. In plaats van de Koran te verklaren vanuit de openbaring, wordt juist gezocht naar historische continuïteit. De ‘verrassende’ overeenkomsten komen nu wel in een heel ander licht te staan. Hoe kan van een onbevangen ontmoeting sprake zijn, als de Koran zelf al in een polemiek met het christendom verwikkeld is? Jansen schrijft: “Tot wat voor soort ongelovigen richt de Koran zich eigenlijk? Gaat het misschien om groepen waar woorden als ‘andersdenkenden’ of ‘ketters’ beter op hun plaats geweest zouden zijn? Is de Koran deels de weerslag van intern-monotheïstische discussies over de Drie-eenheid?” (Jansen 2008, 68)

Het is goed mogelijk dat aan beide boeken een verschillende theologie ten grondslag ligt. Waarom moeten de verschillen dan eufemistisch als ‘subtiel’ en ‘verrijkend’ geduid worden?

Ook in de islamitische theologie is het verband met de Bijbel van groot belang. Hierbij is de gedachte van een oerboek, Umm al-Kitab, bepalend. De Koran is een kopie van een eeuwige Koran. Het is dus niet zo dat de vele overeenkomsten tussen Bijbel en Koran per definitie een openheid naar andere godsdiensten impliceren. Het betekent veeleer dat de ‘mensen van het boek’ vervalsers zijn van de oorspronkelijke openbaring. Soera 3:71 zegt: “Bezitters van het boek, waarom bekleden jullie de waarheid met bedriegerij en verbergen jullie de waarheid willens en wetens?” De gedachte van een oerboek maakt joden en christenen tot verdraaiers van het goddelijke boek. Ook hier komt dus een centrale rol toe aan de gedeelde passages. De vertrouwde chronologie is hier wel precies omgekeerd. Voor moslims komt de Koran niet zozeer ná de Bijbel, maar gaat daaraan vooraf.

Onkritische hermeneutische benadering

Hoe ziet Bijbel en Koran de relatie van Koran en Bijbel? De website biedt geen hermeneutische verantwoording. Wel valt er tussen de regels door te lezen dat die relatie wordt geduid met begrippen als ‘aanvulling’, ‘verrijking’, ‘subtiele inhoudelijke verschillen’, enzovoorts. Twee zaken vallen mij hierbij op.
Er wordt allereerst nergens een verklaring gegeven waarom men over ‘subtiele verschillen’ spreekt. Het is echter goed mogelijk dat aan beide boeken een verschillende theologie ten grondslag ligt. Waarom moeten de verschillen dan eufemistisch als ‘subtiel’ en ‘verrijkend’ geduid worden? Dit zijn waardeoordelen die een kritische visie op die relatie onmogelijk maken. Een cruciaal verschil is er bijvoorbeeld rond de figuur van Jezus. Volgens de Bijbel is Jezus gekruisigd en opgestaan, terwijl de Koran stelt dat Jezus, door God behoed voor het lijden, rechtstreeks ten hemel is gevaren. Waarom deze verschillen als subtiele aanvullingen beschouwen? Het kan ook nuttig en nodig zijn tegenspraken aan te wijzen en deze zo goed mogelijk te verklaren.
Ten tweede wordt de Bijbel in de Koran gebruikt om de islam een voorgeschiedenis te verschaffen. Bijbel en Koran legt echter niet uit wat het betekent dat Nouh (Noach) en Ibrahiem (Abraham) als profeten gezien worden. Hier zou duidelijk gemaakt kunnen worden dat de Koran de gelovigen van het oude testament als moslims ziet. De personages die de Bijbel met de Koran deelt, verschillen dus niet zozeer op een verrijkende manier in allerlei details. De Koran heeft van de Bijbelse personen moslims gemaakt.
Bijbel en Koran kent dus geen kritische benadering van de relatie tussen Bijbel en Koran. Dat de Koran hermeneutisch gezien in een polemiek met de Bijbel is verwikkeld, wordt in hun synoptische benadering dan ook onzichtbaar gemaakt.

Vanuit mijn onderzoek blijkt dat de synoptische methode succesvol is geweest wat betreft kennis van de Koran en het vergelijken van Koran en Bijbel.

2   Werken met Bijbel en Koran
Om een goed beeld te krijgen van wat de leerlingen van Bijbel en Koran leren, heb ik een enquête opgesteld die ik voor en na de lessen heb afgenomen. De respondenten van het onderzoek waren ongeveer 90 havo- en vwo-leerlingen uit het derde leerjaar van een lyceum in Amsterdam. De vragen die ik de leerlingen stel, zijn opgedeeld in vragen over kennis en (theologische) waardering van de Koran en Bijbel. Ik meet drie competenties. Zijn de leerlingen competent om:
1. De inhoud van de Koran te benoemen?
2. Bijbel en Koran inhoudelijk te vergelijken?
3. Hun waardering voor Koran en Bijbel te articuleren?
Na het invullen van de enquête zijn de leerlingen aan de slag gegaan met www.bijbelenkoran.nl. Ze hebben daarbij op verschillende manieren gewerkt met de functies die de site biedt. Ze hebben het filmpje bekeken waarin Ter Borg iets vertelt over de Bijbel en de Koran, verhalen vergeleken en woorden opgezocht met behulp van een zoekmachine. Ten slotte hebben ze opnieuw de enquête ingevuld.

Kennistoename en waarderingafname
In de competentie van leerlingen om de inhoud te benoemen is een significante verandering opgetreden. Leerlingen kunnen vaker en beter beschrijven wat er in de Koran staat. Het percentage dat de inhoud van de Koran kon benoemen, is meer dan verdubbeld van 34 naar 72 procent.
Bij de vraag of de leerlingen verschillen tussen Bijbel en Koran konden noemen, gaven de meeste leerlingen aanvankelijk aan dit niet te kunnen. Het percentage dat Koran en Bijbel kon vergelijken, nam na afloop toe van 25 naar 43 procent.

Is Bijbel en Koran nu van invloed op de verschillende waardering die leerlingen aan de Bijbel en de Koran toekennen? Ik heb hierin onderscheid gemaakt tussen een positieve gelijkwaardigheid (‘even waardevol’) en een negatieve gelijkwaardigheid. (‘het is allemaal onzin’). Bij de vragen over de (theologische) waardering van de Koran, gaven sommige leerlingen duidelijk aan dat de Bijbel voor hen belangrijker was. Het aantal leerlingen dat een verschillende waardering toekent aan de Bijbel en de Koran nam iets af (Van 36 naar 30 procent). Bij de tweede meting gaf een leerling duidelijk een waardering van de Koran, aan de hand van de islamitische theologie: “Al de boeken zijn van God, maar de eerste twee zijn door de tijd veranderd en uiteindelijk niet meer gebleven wat het moest zijn. En in de Koran staat dat God beloofd heeft dit boek te beschermen, zodat er geen leugens in komen. Want de Bijbel werd door de mensen veranderd voor hun eigen belang.” Dit is een duidelijk voorbeeld van de traditionele korantheologie, die bij sommige islamitische leerlingen een rol speelt. Een christelijke leerling zegt: “Nee, niet voor mij, ik ben christelijk opgevoed naar de geloofsovertuigingen van de Bijbel, ik kan niet ineens de Koran gaan bestuderen, of de Tenach. Het gaat over ongeveer hetzelfde, maar dat is het zeker niet!”

Bijbel en Koran zet de geschriften naast elkaar, maar heeft geen oog voor het historisch verband waarin deze teksten zijn ontstaan.

Het belang van de tijd van ontstaan

Hierboven in het theoretische deel van mijn artikel heb ik aandacht besteed aan het hermeneutisch verband van Bijbel en Koran. Voor het werken met Bijbel en Koran gaf bijna tachtig procent van de leerlingen aan de tijd van ontstaan geen belangrijk criterium te vinden voor de betrouwbaarheid van de geschriften. Na afloop is deze groep significant kleiner geworden (van 77 naar 35 procent). Meer leerlingen kenden aan één van de boeken, juist in verband met het ontstaan, een grotere betrouwbaarheid toe. Dit betrof zowel de groep die de Bijbel betrouwbaarder vond, (van 21 naar 47 procent) als de groep die de Koran betrouwbaarder vond (van 2 naar 18 procent). Een leerling zegt de Bijbel betrouwbaarder te vinden: “Die is als eerste geschreven en de Koran is bijna hetzelfde, wat dus bevestiging geeft dat de verhalen in de Bijbel kloppen.’’ Een veel voorkomende redenering is: “De Bijbel bevat de oorspronkelijke verhalen. Hoe later iets is opgeschreven, hoe minder het waar is, want dan is het eerder verzonnen. Je kunt het niet onthouden en het is dan vaker – van generatie op generatie – doorverteld.” Een andere leerling geeft daarentegen te kennen dat de Koran als het jongere boek juist betrouwbaarder is.

3   Evaluatie Bijbel en Koran
Door Bijbel en Koran lezen leerlingen zelf de Koran. De synoptische methode is hierbij een belangrijke steun voor hen, omdat ze verhalen lezen die ze kennen uit de Bijbel.

Vanuit mijn onderzoek blijkt dat de synoptische methode succesvol is geweest wat betreft kennis van de Koran en het vergelijken van Koran en Bijbel. De didactische voordelen van de synoptische methode kunnen mijns inziens echter ook blind maken voor de nadelen die eraan kleven. Het risico bestaat dat de leerlingen een eenzijdig beeld krijgen van de Koran. Bij veel leerlingen bemerkte ik dat ze de indruk hadden dat de Bijbel en de Koran grotendeels hetzelfde zijn en alleen in details verschillen. De groep leerlingen die beide geschriften gelijkwaardig vindt, nam iets toe. Dit is niet verwonderlijk, omdat Bijbel en Koran juist de nadruk legt op de overeenkomsten tussen beide boeken.

Drie slotopmerkingen ten slotte ten aanzien van het theoretische deel. Ik schetste dat het aannemelijk is dat de Koran een correctie wil zijn op de Bijbel. Dat Jezus in de Bijbel de zoon van God is en in de Koran een profeet wordt vaak als een kenmerkend verschil genoemd. De synoptische methode hoeft dus niet alleen tot gevolg te hebben dat leerlingen de overeenkomsten gaan zien. Ze kunnen zich ook bewust worden van (grote) verschillen. In mijn opinie zal de docent deskundig moeten zijn deze verschillen te duiden. Het is zeker niet altijd afdoende deze als een verrijking of aanvulling te zien.
Ten tweede zet Bijbel en Koran de geschriften naast elkaar, maar heeft geen oog voor het historisch verband waarin deze teksten zijn ontstaan. Maar voor de gelovigen speelt de diachronie wel degelijk een rol. Voor moslims is de Koran de afsluiting van de openbaring. Voor veel christenen geldt de Koran als een jongere, minder authentieke tekst. Ik heb laten zien dat het historisch verband ook voor leerlingen een rol speelt.
Ten slotte is gebleken dat de islamitische visie ook door niet-moslims wordt overgenomen. Ook dat kan het gevolg zijn van het werken met de synoptische benadering. Of dit in het godsdienstonderwijs een wenselijk resultaat is, is een vraag die tot verdere reflectie dwingt.

Literatuur
M. Ter Borg (2007). Koran en Bijbel in verhalen. Overeenkomsten tussen de heilige boeken.Houten: Unieboek.
Hans Jansen (2008). Zelf koran lezen. Amsterdam: Arbeiderspers.

Dit artikel verscheen in: Narthex. Tijdschrift voor levensbeschouwing en educatie. Jaargang 11, nr. 4 pp. 76-72

ontwikkeld door Accent Interactive