Noordmans

Dr. O. Noordmans is een van de meest fascinerende Nederlandse theologen van de 20e eeuw. Als dorpsdominee zonder ook maar een doctoraalexamen op zak, was hij als geen ander in staat om ontwikkelingen in de cultuur en kerk te peilen en theologisch te duiden. In zijn geschriften, die doorgaans voor leken waren bedoeld, bereikte hij een niveau dat dat van de academische theologie verre oversteeg. Blei bespreekt achtereenvolgens de kentering in Noordmans’ denken en de aandacht voor Augustinus, voordat hij Noordmans visie op de theologie van Barth bespreekt. Blei besteedt ruimschoots aandacht aan Herschepping en de ecclesiologie en liturgie. Blei gaat uitvoerig in op de ontwikkeling in Noordmans’ theologie en besteedt twee hoofdstukken aan wat hij noemt de `voldragen theologie’, die hij vooral ziet in het geschrift Gestalte en Geest.

Tussen Barth en de Ethischen.
“Heil betekent: humaniteit”. Wie deze woorden leest zal ze eerder bij Kuitert plaatsen dan bij Noordmans. Toch zijn ze van deze laatste afkomstig. Blei citeert deze woorden in de context van wat hij noemt de kentering in de theologie van Noordmans. In het genoemde citaat geeft Noordmans blijk van een waardering voor de ethische idealen van de vorming van de persoonlijkheid, de cultuur en de gemeenschap. De kentering die Blei waarneemt heeft betrekking op de veranderde betekenis van het begrip predestinatie bij Noordmans. Eerst betekende het voor Noordmans vooral een bevestiging van de persoonlijkheid en de gemeenschap, maar vanaf de jaren twintig krijgt het begrip juist een kritische functie: predestinatie fundeert niet onze (morele) persoonlijkheid, maar doorbreekt deze juist. (Blei 2010, 62) Ook in het geschrift Geloven op gezag kritiseert Noordmans de gedachte van de menselijke autonomie in de moderne theologie. Gods verkiezing gaat juist lijnrecht tegen de menselijke moraliteit in.

Eind 1922 neemt Noordmans een beroep aan naar Laren In deze periode zet zijn kritische wending zich door, met name door de theologie van Barth en Kohlbrugge. In de theologie van Kohlbrugge en Barth ziet Noordmans eerder de lijn van Luther doorgetrokken dan de lijn van Calvijn. Het gaat om het moment van de rechtvaardiging op Golgotha. Bij Calvijn is er veel meer aandacht voor de incarnatie en daarmee voor de historische continuïteit. Overigens is Noordmans hierin kritisch op de lijn van Barth en Kohlbrugge. Blei: “Zelf hecht hij aan het zedelijk en cultureel bemiddeld leven.’ (Blei 2010, 77)  Blei ziet Noordmans duidelijk als pleitbezorger van Barth. Overigens gaat Blei uitvoeriger in op de kritiek die Barth ook heeft op de theologie van Barth. Blei geeft Noordmans’ kritiek als volgt weer: “Noordmans bedoelt: Het Woord is gericht op uitbreiding, gestaltevorming in het leven, ook bij ons die door dat Woord zijn geraakt. Dat Barth in zijn Römerbrief dááraan geen aandacht besteedt, acht Noordmans een manco.” (Blei 2010, 81) Noordmans is tegelijk een representant van de ethische theologie. Zijn kritiek hierop is nu dat “de relatie tussen wereld, mens en God te organisch wordt genomen’’ (Blei 2010, 86) De theologie van Barth ziet hij hierop als een heilzame correctie.

Kerk en liturgie.
Blei besteedt ruimschoots aandacht aan Noordmans bemoeienis met de strijd in de Hervormde kerk over de kerkorganisatie. Deze strijd was een reactie op het formele en niet-belijdende karakter van het Algemene Reglement van 1816. Noordmans behoorde tot de Vereniging Kerkopbouw. Deze groep bestond voornamelijk ethischen en vrijzinnigen. Het is wellicht bevreemdend om Noordmans juist in het gezelschap van vrijzinnigen aan te treffen. De reden hiervoor is dat kerkherstel sterk inzette op een wijziging van de kerkorganisatie en Noordmans zag hierin een wending naar een meer Rooms Katholiek kerkbegrip. Niet alleen de kerk, maar ook de belijdenis dreigen teveel op zichzelf te komen staan. Blei: “Het gaat immers niet om de organisatie of om de waarheid (de belijdenis) op zichzelf. Beide zijn er ten dienste van de verkondiging en doorwerking van het evangelie.’’ De katholiciteit van de kerk had voor Noordmans een eschatologisch karakter. Daarom stond hij ook met de vrijzinnigen wantrouwend tegenover een herstel van de kerkelijke leertucht. Het is in wezen een vooruitgrijpen op de toekomst. (Blei 2010, 132) In zijn kritiek op kerkherstel pleit Noordmans dan ook voor een apostolair — dynamisch, missionair in plaats van statisch accent in de presbyteriale kerkorde. Het is fascinerend om te zien hoe Noordmans aan de ene kant zich — volwaardig protestant —  afkeert van een sacralisering van de kerk en de kerkorde, maar aan de andere kant voortdurend waakt voor een te laagkerkelijk profiel. De kerk mag niet opgaan in de cultuur. Hij pleit voor een bisschoppelijk element in de kerk (Blei 2010, 140) en prefereert de ambtsvisie van Calvijn, boven die van Luther. Calvijn onderscheidde 4 ambten en zag de predikant in de Lutherse traditie juist te zeer geïsoleerd staan. Maar Blei signaleert ook een andere ontwikkeling bij Noordmans. Eerder had Noordmans met sympathie over de Anglicaanse traditie gesproken. Hij treft daar een verbondenheid aan met de patristiek, die in de Reformatie goeddeels verloren is gegaan. (Blei 2010, 144) Blei vindt het opmerkelijk dat Noordmans later een tegenstelling signaleert tussen de presbyter (ouderling) en de bisschop. Vooral door zijn kennismaking met het werk van J.H. Newman, waar hij zeer van onder de indruk was, wendt hij zich geheel tot de kerkordelijke inzichten van Calvijn en is er eigenlijk geen ruimte meer voor andere geluiden. Noordmans’ visie op de kerkreorganisatie en zijn visie op de liturgie zijn ten zeerste verweven. `In beide gevallen ging het ín het formele om inhoudelijke kwesties.’ (Blei 2010, 173) Wat betreft de kerk en de liturgie bij Noordmans is Blei duidelijk. Het fundamentele punt is volgens hem: “…dat men er van uitgaat dat de incarnatie zich in de kerk en haar eredienst voortzet.’’ Volgens Noordmans kunnen we de incarnatie niet denken als een gestalte, die dan voortgezet wordt in de kerk. Het is een offer dat eenmaal is gebracht. (Blei 2010, 177) In de eredienst hoeft dat offer ook niet herhaald te worden, maar wordt het gepredikt. Noordmans spreekt daarom ook niet van een reële presentie in de eredienst. God is alleen present in zijn Woord voor het geloof. (Blei 179) De sacramenten zijn voor Noordmans een `soort van woorden’. (Blei 2010, 181) Anders dan Rasker heeft Blei ook oog voor de keerzijde van Noordmans over de liturgie. Noordmans heeft juist in het avondmaal het centrum van de eredienst gezien. Blei noemt hier twee punten.
-In het avondmaal delen wij in Christus dood en opstanding. Noordmans: “In zoverre zou men kunnen zeggen dat de sacramenten nog meer waar zijn dan het Woord. Ze zijn als het amen na het onze Vader (…) waarbij de Geest de beloften Gods (…) boven de psychologische bemiddeling van het Woord verheft (…) Zo zijn de sacramenten dragers van de barmhartigheid Gods naar de uitersten, waar de `rede bezwijkt’ en waar de geest zich voor
de ziel nauwelijks verstaanbaar kan maken. Het zijn fakkels in de nacht.’’ (Blei 2010, 182)
-Het tweede punt van belang is de pastorale betekenis van het sacrament. De apostelen waren niet alleen verkondigers, maar stichtten ook gemeenten met een blijvende betekenis. “Het is van het begin af ingesteld op de pastorale gemeenschap en vindt daarin zijn doel.’’ Het komt bij Blei goed tot uitdrukking dat Noordmans ook ten aanzien van de kerk en de sacramenten soms dichter bij de liturgische beweging stond dan bij de sobere gereformeerde visie op het avondmaal. Zo vond hij bijvoorbeeld dat het avondmaal idealiter elke zondag gevierd zou moeten worden.

De Zoon en de Geest.
In Herschepping komt Noordmans’ systematische theologie het best tot uitdrukking. Het is in feite een beknopte dogmatiek, maar dan wel in de zin van een reformatorische dogmatiek. Dogmatiek wordt, volgens  Noordmans, in de Reformatie een zaak van de gemeente zelf (pastoraal). In de theologie van Noordmans draait het vooral om de Zoon en de Geest en de wijze waarop deze op de schepping betrokken zijn. Noordmans poogt de schepping te zien in verband met Christus en niet, zoals traditioneel gebeurt, in verband met God de Vader. Noordmans schrijft: “Wanneer wij de schepping niet als een afgesloten geheel nemen, maar ze nauw met Christus verbinden (…) dan wordt ze niet een duistere chaos, of een eigenheerlijke Griekse kosmos, maar een plek licht rondom het kruis. “ (Blei 2010, 107) Het scheppen van God is van meet af aan een scheiden. Het is een kritisch begrip en `buiten Jezus Christus bergt het raadsel der schepping louter ontzetting. (Blei 2010, 109) Wanneer wij de schepping als een zelfstandige grootheid gaan zien, wordt het evangelie slechts een episode. Voor Noordmans is er geen zelfstandige schepping. Hij spreekt liever van herschepping en herschepping is geen herstel maar verlossing. Betekent dit dat Noordmans de schepping ziet als aan zichzelf overgelaten? Nee juist niet! God gaat zelf in de ellende staan en heelt de breuk’’. En: “ Zijn oordeel, jaagt de val voort tot op Golgotha. Noordmans denkt over de betekenis van Jezus eerder in termen van twee staten (vernedering en verhoging) dan in termen van twee naturen. Het spreken over menswording bergt het risico in zich dat we over Jezus gaan denken in termen van schepping (een verhoging van de schepping, initiator van een nieuwe mensheid e.d.) De vernedering van de Zoon is echter eenmalig en wordt afgelost door de komst van de geest. Het is dus ook met het oog op de Geest, dat Noordmans ervoor terugdeinst te grote betekenis toe te kennen aan de menswording. Het belemmert ons om verder te kijken naar de komst van de Geest. De centraliteit van de Geest geeft Noordmans’ theologie onmiskenbaar haar unieke karakter. Het werk van de Geest is herschepping. Herscheppen is ook scheiden, in het werk van de geest wordt de oude mens van de nieuwe mens gescheiden. (Blei 2010, 119)

In het boek Gestalte en Geest wordt het werk van de Geest nader uitgewerkt. De Geest is vooral de verbreker van gestalte. Gestalte is hier eigenlijk het schepselmatige. Maar ook Christus is een gestalte die plaats moet maken voor de Geest. In zijn visie op het Nieuwe Testament speelt dit een grote rol. Alle nadruk ligt voor Noordmans op de brieven van Paulus. In de evangeliën ligt de nadruk op de historische Jezus, maar bij Paulus is daar geen spoor van te bekennen. Hij gaat zelfs zover dat hij zegt: “Ieder op de voorgrond schuiven van de incarnatie is ook een zonde tegen de Heilige Geest.’’ Het gaat niet om de incarnatie, maar om de inspiratie. (Blei 2010, 234) Paulus verkondigt het evangelie geestelijk. Het is dan ook vanuit de centraliteit van de Geest dat Noordmans zich zeer kritisch heeft uitgelaten over de scheppingsleer van Barth. Hij zag daarin een wending van de Geest naar de gestalte. Het denken van Barth over de schepping gaat van de incarnatie uit en denkt terug naar de schepping. Het is voor Noordmans dus niet zozeer de gedachte van de schepping, waar zijn kritiek zich op richt, maar juist het vertrekpunt. Barth denkt daar niet vanuit het kruis, maar vanuit de schepping. Vanuit het kruis terug naar de Genesis 3 en niet vanuit de incarnatie terug naar Genesis 1 en 2, zo redeneert Noordmans.

Conclusie.
We kunnen de theologie van Noordmans samenvatten in het begrippenpaar Gestalte en Geest. Enerzijds zijn visie op de kerk en de liturgie: De kerk mag zelf geen gestalte worden. Het woord dient gepredikt te worden, maar de kerk mag geen vaste vorm worden. Dat was wat hij verweet aan de Rooms Katholieke en de Orthodoxe liturgie.
Ten tweede kunnen we het toepassen op de visie op de schepping. Deze heeft eigenlijk geen gestalte meer. Zij is er alleen als de achtergrond van het scheidend handelen van de Geest. Zo schepping al een positieve betekenis heeft is het de herschepping en de eschatologische komst van het koninkrijk. Blei heeft oog voor de keerzijde van Noordmans’ geesttheologie. Breekt Noordmans hier niet te rigoreus af wat ook tot het christelijk geloof behoort? Terecht wijst Blei op de kritiek die Noordmans eerder had geuit naar aanleiding van Barth’s Römerbrief. Toen had Noordmans gezegd: “Het Woord is gericht op uitbreiding, gestaltevorming in het leven?’’ Hetzelfde zou je dat kunnen zeggen over het scheppingswoord van God. Is het alleen maar scheiden? Of ook vormen, ook gericht op uitbreiding? Om deze kritiek op scherp te zetten: Leidt Noordmans’ theologie uiteindelijk niet tot een gnostische werkelijkheidsbeleving, waarin alleen het geestelijke werkelijk is? Noordmans speelt kruis en incarnatie tegen elkaar uit, Genesis 3 tegen Genesis 1 en 2 en de Geest tegen de zoon en de gestalte.

Tegelijk denk ik dat de theologie van Noordmans weliswaar een zwaar karakter heeft, waar het gaat om het scheppingsbegrip, maar dat zijn nadruk op het werk van de geest alles zozeer in het teken van de voorlopigheid plaatst dat zijn theologie openstaat naar een haast postmodern relativisme. Iemand als G. Neven exploreert deze lijn in het denken van Noordmans en vergelijkt hem met de postmoderne filosoof Gianni Vattimo. (Neven 2002) We kunnen hier een parallel trekken met het eigenaardige bondgenootschap met de vrijzinnigen in kerkherstel. Zij keerden zich evenals Noordmans tegen de kerkelijke tucht, maar Noordmans motiveerde zijn bezwaren toch radicaal anders! Dit laatste punt kunnen we verbreden naar de vraag wat nu de bijdrage kan zijn van Noordmans’ theologie voor de hedendaagse cultuur. Het is een dynamische theologie, waarin de aard van het kerk zijn, de christelijke waarheid e.d. opnieuw worden doordacht tegen de achtergrond van de enorme culturele verschuivingen die zich in Euopa in de jaren ’30 voordeden. Noordmans leverde vooral kritiek op de gestalte van de kerk en pleitte voor een meer dynamisch kerkbegrip (de huisgemeenten) Dat past heel goed bij de geseculariseerde cultuur waarin wij vandaag de dag leven en geloven. Maar is het niet ook de tragiek van de kerk dat haar gestalte in de cultuur geheel is ondergegaan? In dat opzicht is de theologie van Noordmans realistisch gebleken, maar of we daar nu blij mee moeten zijn? De vraag naar de gestalte van de kerk en haar zichtbare aanwezigheid in onze cultuur is voor mij na het lezen van het boek van Blei eigenlijk alleen maar groter geworden.

N.a.v. K. Blei. Noordmans. Een inleiding met kernteksten. (Kampen: Kok 2010.)

ontwikkeld door Accent Interactive